Copyright

Copyright P.Kats. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet gekopieerd worden en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel.

donderdag 18 december 2014

Het zal me een zorg zijn!


Een vak dat ik ook een warm hart toedraag is de zorg, een beroep waar zeker niet te min over gedacht mag worden. Wij hebben er als politie dikwijls mee te maken, meestal als het gaat om de medewerkers te assisteren om bijvoorbeeld midden in de nacht een gevallen bewoner mee te helpen in bed te tillen, maar ook bij lastige en/of agressieve patiënten. Wij klagen bij de politie soms wel eens over drukke en lange diensten, maar in de ziekenhuizen en verzorgingstehuizen lopen de medewerkers ook de benen uit het lijf. Dikwijls moet een handjevol medewerkers in een nacht een heel 'huis' draaiende houden en dan komen ze wel eens handjes tekort. Zeker met een brand..


Het is rond de kerst als we 's-nachts een melding krijgen van een brand in een verzorgingstehuis. Het is niet zomaar een automatische brandmelding, maar een daadwerkelijke brand in een kamer van een bewoner. De meldkamer bereidt ons al voor op een eventuele evacuatie van de afdeling, waar vierentwintig bewoners wonen. We zitten gelukkig dichtbij en zijn binnen enkele minuten ter plaatse.

Op de bewuste afdeling hangt een penetrante brandgeur en de medewerkers zijn al druk in de weer om de bewoners te verplaatsen. De bewoner van de kamer, waar de brand is, is al weggebracht en de deur is dichtgetrokken. Het belangrijkste is om alle bewoners veilig naar de andere vleugel te brengen. De evacuatie loopt op rolletjes, maar één bewoonster weigert haar kamer te verlaten. Ik hoor haar tekeer gaan tegen een medewerkster en schiet deze te hulp. De enigszins dementerende mevrouw van Zanten (gefingeerd) van rond de 85 jaar zit met een verontwaardigd gezicht inmiddels in een stoel en houdt zich stevig beet aan de leuningen. Ik zie als de medewerkster haar probeert op te tillen uit de stoel, deze klappen krijgt. Ik kijk haar aan, zeg dat ze onmiddellijk moet ophouden en dat ze in de rolstoel moet gaan zitten die de medewerkster voor haar houdt. Vervolgens zeg ik tegen haar dat er brand is en dat ze tijdelijk even van haar kamer afmoet. Maar ook van mij is ze niet onder de indruk en zegt in onvervalst Rotterdams: “Het zal me een zorg zijn, ik ga ech nie van m'n kamer!”. Nou zijn wij gewend om dan gelijk korte metten te maken met zulke sujetten, maar ik heb hier te maken met een broze oude vrouw die ik niet zomaar bij kop en kont ruw kan beetpakken.

Ik til haar daarom met stoel en al op en loop met haar de kamer af de gang op. Ze wordt ontzettend boos en al lopend krijg ik klappen in mijn gezicht. Ik wend mijn hoofd zoveel mogelijk af om de klappen te ontwijken. Ze gromt: “Blijf met je poten van me af, viezerik!” en vervolgens “Help, ik word ontvoerd!”. Op de gang kom ik mijn verbaasde collega tegen die vervolgens keihard begint te lachen. Op de andere vleugel zet ik haar weer voorzichtig neer. Met een nog steeds boze blik kijkt ze me aan. Ik kan helaas geen goed meer doen en ga maar snel weg. Ze wordt liefdevol opgevangen door een medewerkster die haar kalmeert.

De brand wordt vakkundig door de brandweer geblust en de brandweercommandant complimenteert het personeel met hun uiterst snelle en vakkundige optreden.

De brand bleek te zijn ontstaan bij de kerstboom, waarschijnlijk doordat een lampje van de kerstboom tegen het gordijn had gezeten. Hierdoor was het gordijn gaan smeulen en was er een behoorlijke rookontwikkeling ontstaan. Gelukkig ging hierdoor het brandalarm af. Vanwege de rookontwikkeling nam de medewerkster van het verzorgingstehuis de juiste beslissing, haalde zo snel mogelijk de bewoner uit de kamer en trok de deur dicht. Beiden werden door het ambulancepersoneel nagekeken vanwege ingeademde rook. Gelukkig viel het reuze mee.

Op het bureau gekomen vertelt mijn collega het verhaal in geuren en kleuren. Er wordt natuurlijk hard om gelachen dat ik me heb laten slaan door een oude vrouw. Spottend vragen ze of ik nog aangifte wil doen. Meewarrig heb ik mijn hoofd maar geschud. Maar stiekem ben ik trots op mijn actie, de klappen neem ik wel op de koop toe.

Hoe belangrijk is een goede werkende brandmelder voor u?

Ik wens al mijn lezers goede kerstdagen toe en een gezond en gelukkig 2015.

(volgende blog 05/01)

 

 

maandag 8 december 2014

Soms loopt het anders....

Het is begin januari als ik weer aan de beurt ben om een dag Integrale BeroepsvaardigheidsTraining, afgekort IBT, op de Boezembocht te gaan volgen.
Ik heb wel een handicap, want sinds een paar weken heb ik een fikse peesontsteking aan mijn rechterarm. Omdat het clusteren, zoals het ook wel genoemd wordt, eigenlijk niet zomaar afgezegd kan worden besluit ik het gewoon te volgen en wel te zien hoe ver ik kom. Het beste is om mijn arm zoveel mogelijk te ontzien.


Ik moet zeggen dat alle oefeningen, inclusief het schieten, heel goed gaan en mijn arm niet hevig protesteert. Ik heb van tevoren mijn handicap vermeld, dus er wordt wel rekening met mij gehouden door de collega´s.
Met een tevreden gevoel loop ik om 15:00 uur al weer naar de parkeerplaats, aan de achterzijde op het industrieterrein, toe. We zijn lekker op tijd klaar en ik heb gelukkig mijn arm niet overmatig belast.

Ik steek, in uniform gekleed, de weg over aan de achterzijde van de Boezembocht met mijn sporttas in mijn handen als een oude man, van rond de 75 jaar oud, met een angstige blik en bezweet hoofd aan mij vraagt: “Mag ik u iets vragen?”
Eigenlijk een beetje verwonderd, maar aan de andere kant bezorgd om zijn gezichtsuitdrukking, antwoord ik hem: “Natuurlijk mag u wat vragen!”

Hij wijst naar een geparkeerde auto en vertelt dat zijn vrouw niet goed geworden is in de auto en of ik kan helpen. De auto staat aan de doorgaande weg geparkeerd. Ik zie echter in de auto, waar de man naar wijst, helemaal niemand zitten. Ik loop naar de auto toe en zie dan pas op de bijrijderstoel een vrouw zitten. Haar hoofd hangt achterover tussen de stoel en de deurstijl. Ze is lijkbleek en haar mond hangt half open. Razendsnel kom ik in actie, trek het portier open en til de vrouw uit de auto. Ik sleep haar naar de achterzijde van de auto en leg haar op de weg neer. Ik controleer haar hartslag en haar ademhaling, maar die heeft ze beiden niet.

Ik start de reanimatie en kijk tegelijkertijd om mij heen of er iemand in mijn buurt is die mij kan helpen. Gelukkig, er komt een fietser aan. Ik roep naar de man of hij wil helpen. Het gekke is dat hij mij aankijkt, blijft aankijken, om vervolgens voorbij te fietsen. Kennelijk ziet het eruit of ik hem voor de gek houd. Dan komt gelukkig een collega, Monique, aanlopen. Ze vertelt mij dat ze me niet kan helpen met reanimeren vanwege een flinke blessure. Ik vraag haar om dan de oude man op te vangen die verslagen rondloopt. Dan komt collega Paul (de collega uit mijn blog “Even een appelflap halen”) aanlopen. Hij kijkt mij met een verbaasde blik aan als hij mij bezig ziet met de reanimatie. Het is net of hij zich afvraagt waar ik nou weer mee bezig ben. Ik vraag aan Paul of hij onmiddellijk de meldkamer wil bellen om een ambulance en mij wil assisteren met reanimeren. 

Dan gaat het snel. De ambulance en ook de collega’s van de noodhulp komen ter plaatse. Ze nemen het van mij en Paul over en dan pas voel ik mijn arm. Hij is zowat lam en doet hevig pijn. Daar ging mijn voornemen om mijn arm te ontlasten, maar dit was niet te vermijden. Tijdens de reanimatie heb ik helemaal niets gevoeld, maar nu weet ik weer dat ik een peesontsteking heb.
Ik heb wel medelijden met de oude man, omdat hij eigenlijk zo respectvol aan mij vroeg hem te komen helpen. Ik hoop niet dat het mij ooit een keer overkomt, maar als ik zoiets zou meemaken dan zou de gehele omgeving weten dat er iemand onwel is geworden in mijn auto.
Het bleek dat de oude man al zeker tien minuten, met zijn in elkaar gezakte vrouw naast zich, had rondgereden en toen bedacht dat er in de buurt van het politiebureau Boezembocht wel eens een agent kon lopen die hij zou kunnen aanspreken.

Helaas konden de collega’s van de ambulancedienst, ondanks verwoede pogingen, niets meer voor de vrouw doen.
Ik bedank Monique en Paul voor hun hulp en stap in mijn auto. Tijdens de rit naar huis lukt het me haast niet om normaal te schakelen. Ik heb twee weken lang geweten dat ik gereanimeerd heb. Ik heb het uiteraard voor dit goede doel over gehad, alleen jammer dat het zo triest is afgelopen met de vrouw.

Een politiedag is onvoorspelbaar, zelfs als je IBT hebt met goede voornemens. Soms loopt het anders.

Kijk even op de website http://www.hartslagnu.nl/ voor nuttige informatie

(Volgende blog 22/12/2014)

maandag 24 november 2014

In staat van oorlog

De tweede wereldoorlog leeft bij de oude generatie nog steeds. Hoewel die generatie een uitstervend ras is heb ik mijn 90 jarige vader nog, die alles van de oorlog haarscherp voor de geest staat. Hij was 16 jaar oud toen de oorlog begon en volgens hem zijn de mooiste jaren van z'n jeugd afgepakt door de Duitsers (hij noemt ze anders maar dat ga ik niet opschrijven zult u begrijpen). Wij kennen de tijd van de oorlog met Duitsland gelukkig niet en leven in vrede met de huidige generatie van het Duitse volk. Ik probeer me wel altijd een voorstelling te maken als mijn vader het heeft over de Duitse soldaten van toen, die niet keurig aanbelden, maar met hun spijkerlaarzen tegen de deur schopten of bonsden en krachttermen schreeuwden. Met deze melding moest ik toch wel even terugdenken aan zijn verhalen.

Zo krijgen mijn collega Robin en ik een melding van een geluidsoverlast op de A-straat. De bewoonster van het pand draait luide muziek en veroorzaakt veel overlast bij de buren. De meldster vertelt dat de buurvrouw de laatste tijd behoorlijk vaak dronken is en luide muziek draait, volgens de buurvrouw een soort oorlogsmuziek. Collega’s zijn er al eerder aan de deur geweest. Ze heeft toen een proces-verbaal gehad en de waarschuwing dat de volgende keer de geluidsapparatuur in beslag genomen wordt.
We weten niet wat de meldster met een soort oorlogsmuziek bedoelt tot we voor de woning staan. Uit de woning schalt luide Duitse marsmuziek, zoals in de propagandafilms van Hitler wordt gedraaid. We kunnen begrijpen dat de buren hier overlast van hebben, je zou er gek van worden. We hebben al veel meldingen van geluidsoverlast van muziek gehad, maar deze soort nog nooit. Aanbellen heeft geen zin dus kloppen we op een manier aan, zoals de Duitsers dat volgens mijn vader in de oorlog deden, tegen de deur trappen en bonzen.

Er verschijnt een oudere vrouw voor de ramen, hoewel je het geen vrouw kan noemen.
Voor ons staat werkelijk, oneerbiedig uitgedrukt, een heks met grijs sluik haar, een haviksneus, een gebitloze mond die in het Duits schreeuwt naar ons dat we weg moeten wezen. Het is duidelijk dat ze de Duitse taal verheft boven de Nederlandse taal. Zelfs boven de muziek uit horen we haar schreeuwen. Verscheidene keren brengt ze de Hitlergroet en hoe we ook proberen, ze weigert om de deur open te doen. We verzoeken de chef van dienst ter plaatse voor een machtiging tot binnentreden en vragen een slotenmaker om de deur open te maken.

Het geschreeuw en de herrie blijven maar doorgaan als een oneindige langspeelplaat. Ik zie opeens dat het keukenraam op een kier staat en kan met een handigheidje het raam opendoen. Kennelijk heeft de vrouw dat ook door want ze staat opeens in de keuken en wil het raam weer dichttrekken. Maar hier heb ik even geen zin in. Ze schreeuwt: “Raus, weg, schnell!” Onwillekeurig moet ik terugdenken aan de verhalen van mijn vader. Het lijkt er inderdaad wel verdacht veel op. Ik pak haar in een snelle beweging beet en trek haar naar het raam toe. Op dezelfde manier schreeuw ik in het Nederlands in haar oor dat ze de keuze heeft. Of ik trek haar helemaal door het raam naar buiten of ze gaat de voordeur voor ons opendoen en ons binnenlaten.

Opeens kan ze Nederlands spreken, want ze smeekt om haar los te laten. Ze zal de deur voor ons opendoen en ons binnenlaten. Ik laat haar los, maar houd voor de zekerheid het keukenraam open. Ze doet inderdaad de voordeur voor ons open en Robin stapt direct langs haar heen en trekt de stekker uit de stereoset. Dan blijkt dat ook de televisie in turbostand staat met als hoofdmoot een film van marcherende Duitsers in de tweede wereldoorlog. Robin trekt ook de stekker van de televisie eruit. Hierna is het gelukkig een stuk minder met de herrie. De decoraties aan de muren zegt ons genoeg over de sympathieën van de vrouw. Ze  tracht ons wijs te maken dat de tweede wereldoorlog die goede oude tijd was en we daar een voorbeeld aan zouden moeten nemen. Ik merk op dat mijn vader hier toch heel anders over denkt en een dialoog met hem wel eens voor een verrassing zou kunnen zorgen. Als ze begint dat wij van de Joden afstammen en ze ons vergeten zijn dood te maken, begint het bij ons toch wel lichtjes te kriebelen. We moeten hier maar gauw weggaan, echter niet zonder de stereoset en de televisie in beslag te nemen. Ze is in staat van oorlog. Als blikken kunnen doden…..

We verlaten de woning met de apparatuur, haar scheldend achterlatend.

Glimlachend moet ik aan mijn vader denken.

maandag 10 november 2014

Sstt, mammie slaapt!

Soms vragen mensen of er nog dingen zijn die mij altijd bijgebleven zijn. Ik moet eerlijk zeggen dat ik nergens vreemd meer van op kijk. Voor een schrikbarend hoog aantal hulpverleners is het meemaken van heftige gebeurtenissen onverteerbaar. Bij deze collega’s komt de emmer vol te zitten en ze belanden thuis met PTSS (Post Traumatische Stress Stoornis). Ik kan mij er iets bij voorstellen, omdat sommige incidenten ook mij heftig aangegrepen hebben.



Huiselijk geweld is iets vreselijks, waar we helaas bijna elke dienst mee te maken krijgen. In je veilige leefomgeving je niet veilig voelen. Partners slaan elkaar soms bijna letterlijk de hersens in om luttele zaken. Ik kan mij in sommige situaties soms best voorstellen als bijvoorbeeld één van de partners tot het uiterste gedreven wordt door de andere partner en de stoppen bij hem of haar doorslaan. Maar wat ik niet begrijp is dat hij/zij dan vervolgens zijn/haar woede botviert op het lichaam van zijn/haar partner. Ik zeg altijd dat je bij zo een woede beter het Zuiderpark tien keer kan rondrennen of een hakbijl nemen en een boomstam tot luciferhoutjes slaat en dan rustig bedenkt of de relatie nog zin heeft. Bij mishandeling tast je de lichamelijke integriteit van iemand aan waardoor hij/zij zowel lichamelijk als geestelijk onherstelbaar beschadigd raakt. Bij mishandeling is de vertrouwensband weg en regeert men uit angst. Angst dat hij/zij weer toeslaat, dus worden bewust (positieve) confrontaties vermeden. Vaak vindt huiselijk geweld plaats nadat één of beide partijen alcohol of drugs gebruikt heeft. Men kan dan vaak niet meer realistisch nadenken.

We krijgen een melding dat iemand ijselijk gegil heeft gehoord in de woning van de buren. Het is een bekend adres waar we al vaker zijn geweest de laatste tijd. Er woont een gezin, bestaande uit vader Kees, moeder Truus en Mien, een kind van een jaar of vier oud. Kees en Truus zijn allebei werkloos en leven van een uitkering. Ze zijn allebei alcoholist en hebben een zogenaamde knipperlichtrelatie. Het gaat een tijd goed en dan gaat het weer mis in de relatie. Truus gaat dan met Mien een tijd weg naar familie, maar komt vervolgens weer terug en trekt weer bij Kees in. Ondanks de vele gesprekken van de collega’s en instanties blijft Truus terugkomen. Kees wordt enkele keren aangehouden voor mishandeling van Truus en het gaat van kwaad tot erger. Truus weigert telkens aangifte te doen, omdat Kees toch nog zo ‘lief ‘ is.

We komen ter plaatse en horen eigenlijk niets, dan alleen het brabbelen van Mien die kennelijk aan het spelen is. We kunnen niet in de woning kijken, dan alleen door de brievenbus. Normaal gesproken zou je zeggen dat we gewoon onze weg weer kunnen vervolgen, omdat het ogenschijnlijk rustig is. Maar gezien de informatie uit het verleden, besluiten we om aan te bellen. Er wordt niet op aanbellen gereageerd, dus besluiten we om gewoon stevig op de deur te bonzen. We horen kleine Mien aan komen lopen en we kijken samen, op onze hurken door de brievenbus. Dan slaat de schrik ons om het hart. We zien, als kleine Mien komt aanlopen, dat ze onder het bloed zit. Ze zet haar vinger tegen haar lippen en zegt : Sstt, mammie slaapt!

Dit is foute boel flitst het door me heen, we moeten zo snel mogelijk naar binnen. Ik zeg tegen Mien dat ze naar mammie toe moet gaan en haar even wakker moet maken, om haar zodoende bij de deur weg te krijgen. Mien dribbelt de gang weer in en hetzelfde moment trapt mijn collega met een paar ferme trappen de deur in. We vliegen de kamer binnen en zien het verschrikkelijke. Truus ligt achterover op de grond, tussen de bank en het raamkozijn gevallen. Haar hele gezicht is bedekt met bloed en er zitten wrijfsporen over het hele gezicht, kennelijk doordat kleine Mien over het gezicht van haar moeder aan het wrijven is geweest. Een grote vaas ligt half aan scherven naast haar hoofd. Ze is kennelijk de hersens ingeslagen met de vaas, flitst het door mij heen. Het is een grote chaos in de kamer. Ik ga op zoek naar Kees en voor ik bij de slaapkamer ben, komt deze waggelend de slaapkamer uit. Hij zegt nog wauwelend : “Het is dat t***wijf haar eigen schuld!”.

In een flits geef ik hem een trap, zodat hij achterwaarts de slaapkamer in valt. Mijn collega, die achter mij aan was gelopen, duikt boven op hem en binnen korte tijd ligt Kees geboeid op de grond. We verzoeken onmiddellijk met spoed om assistentie van collega’s en vragen tevens om een ambulance. Ik ga bij Truus kijken, maar het ziet er niet goed uit. Ze heeft een snurkende ademhaling en heeft flinke verwondingen aan haar hoofd. We komen eigenlijk handen tekort, want mijn collega houdt Kees onder controle en ik moet ook Mien nog in de gaten houden. Gelukkig arriveren de collega’s, die aan mijn stem wel gehoord hebben dat het ernst is, binnen korte tijd en kunnen we Kees aan hen overdragen. Mien zit inmiddels weer bij haar moeder en wil weer knuffelen met haar, dus moet ik haar wegtrekken. Tot overmaat van ramp begint ze te huilen dat ze bij mammie wil blijven. Mijn hart breekt. Ik pak haar vast en probeer haar gerust te stellen. Inmiddels arriveren de ambulancecollega’s en ontfermen zich over Truus, die binnen no-time ingeladen wordt in de ambulance. Met een spoedtransport wordt Truus overgebracht naar het ziekenhuis.

De collega’s van de recherche ontfermen zich over de kleine besmeurde Mien en nemen de zaak van ons over. Op het bureau vang ik nog een glimp van Kees op die naar zijn cel gebracht wordt. Ik koester een diepe haat tegen deze man  en steek dit tegenover de collega’s niet onder stoelen of banken. Het is een natuurlijke reactie, maar niet professioneel. Ik word er door bevangen.

Drie dagen na het incident krijg ik te horen dat Truus aan haar verwondingen is overleden.

Na nog een aantal heftige incidenten in een korte periode ontbreekt de lust om nog aan het werk gegaan. Na een tijdje thuis gezeten te hebben krabbel ik weer overeind dankzij de juiste professionele hulp. Voor mij was dit gelukkig maar een korte tijd. Er zijn collega’s die er (bijna) niet overheen komen en reeds lange tijd thuis zitten. Gelukkig is er steeds meer aandacht voor PTSS, wat als een beroepsziekte is erkend.

Een aanrader om hierover meer te lezen is de link  van collega Jacco Bezuijen http://mijnjongensdroom.blogspot.nl/?m=1 of de site van Arthur van der Vlies op http://reflectieinblauw.nl

(volgende blog 24 nov 2014)

maandag 27 oktober 2014

Diensttijger

Buiten onze geweldsmiddelen die wij bij ons dragen, zoals pepperspray, wapenstok en vuurwapen kunnen wij bij ernstige en/of geweldsincidenten een beroep doen op een diensthondgeleider, ook wel hondenman genaamd. De hond van een diensthondgeleider is speciaal getraind voor politiewerk en gecertificeerd. De diensthondgeleider is een politieagent die dagelijks met zijn/haar hond bezig is, zodat beiden op elkaar ingespeeld zijn. Dit is een waardevolle aanvulling voor ons als politieagenten op straat.




François verdwijnt enkele maanden uit ons beeld, omdat hij een gevangenisstraf moet uitzitten vanwege zijn drugsdelicten. Maar opnieuw vervalt hij in zijn oude praktijken, het verkopen van drugs. We krijgen een melding van bewoners van de A straat, dat bij hun buren het een komen en gaan is van mensen. Dit gaat ook midden in de nacht door wat zou kunnen duiden op een pand van waaruit drugs verkocht wordt. We besluiten de woning een tijdje te gaan observeren. Tot onze verbazing zien we een bekende jongeman de deur uitkomen. Het is François die weer op vrije voeten is. Na enkele dagen komen we tot de conclusie dat hij de ‘bewoner’ is van het pand en weer flink in de ‘handel’ zit. Telkens als hij de voordeur verlaat of weer binnengaat, zien we dat hij zeer spichtig om zich heen kijkt, bang voor zijn belagers, wij dus.

We bereiden een inval voor en wachten tot er weer grote tassen naar binnen gedragen worden. Maar vreemd genoeg blijft dit uit. We stellen de inval uit en gaan investeren in het volgen van François. Het blijkt heel lastig te zijn, omdat hij gebruik maakt van meerdere auto’s, die verspreid in de wijk staan. We weten uiteindelijk dat hij naar een andere woning in de X straat gaat en na observatie blijkt hij hier zijn ‘pakhuis’ te hebben. Vanuit deze woning brengt hij steeds kleine hoeveelheden drugs naar de andere woning toe om zo te voorkomen dat bij een aanhouding heel zijn voorraad wordt aangetroffen. We zijn in opperste paraatheid om in actie te komen.

Dan gaat het hart van een collega van ons team heel hard kloppen. Als observant van het pand in de X straat, komt er een dure auto aangereden van waaruit enkele grote tassen de ‘woning’ worden ingedragen. Het gaat allemaal heel snel, dus we moeten snel zijn. Enkele auto’s, bemand met teamleden volgen deze auto en voeren een zogenaamde autoprocedure uit. Een snelle procedure, waarbij de inzittende, voordat deze het weet, geboeid op de achterbank van ons voertuig ligt. De auto van de verdachte wordt meegenomen. Inmiddels ziet onze observant dat François zijn ‘pakhuis’ verlaat. Uiteindelijk zien we hem de woning aan de A straat weer binnen gaan. Ons team maakt zich klaar voor de volgende inval, het ‘pakhuis’. Er blijkt hier niemand aanwezig te zijn, maar we vinden wel, na grondig zoeken, zeker twintig kilo cocaïne, ruim vijftigduizend euro en een doorgeladen pistool. Dat zou kunnen betekenen dat François ook gewapend is.

We moeten snel actie ondernemen en de woning aan de A straat binnenvallen, waar François nu binnenzit. Aangezien François vluchtgevaarlijk is en mogelijk vuurwapengevaarlijk, vragen we een hondenman ter plaatse.
Kees van de hondenbrigade komt ter plaatse en hoort ons verhaal aan. Laat Kees nou net zijn laatste werkweek hebben als diensthondgeleider en een hele felle diensthond hebben. Sommige diensthonden kunnen nog eens aardig zijn, maar deze staat bekend als een echte bijter. We zien Kees zijn ogen gaan glimmen als we hem vertellen dat we haast zeker weten dat François zal gaan vluchten door de tuinen.
Via de buren regelen we dat er een collega op het balkon van hen komt te staan. Op die manier zal François er niet voor kiezen om via het dak te gaan maar via de tuin. In de zijstraat waar de brandgang uitkomt, zetten we ook collega’s neer, zodat daar ook de weg voor hem versperd wordt. Ik loop met Kees en zijn hond mee. We gaan via de brandgang naar de tuin van de woning van François toe en nemen een strategische positie in. Dan kan het feest gaan beginnen.

Ons team aan de voorkant begint op de voordeur te rammen. Zoals verwacht is deze weer gebarricadeerd en nog geen paar seconden later vliegt de balkondeur open en verschijnt François op het balkon. “Politie, blijf staan!” schreeuwt mijn collega en Francois vliegt weer naar binnen. Hij ziet het kennelijk niet zitten om deze keer weer via de regenpijp naar beneden te gaan. Ondertussen klinken grote klappen op de voordeur en wordt de voorruit door ons team eruit geslagen. De achterdeur vliegt open en Francois rent naar de brandgang en rent richting de uitgang aan de zijstraat. Daar schreeuwt ook een collega dat hij moet blijven staan. Tja, en wie niet horen wil moet dan maar voelen. Francois rent terug de brandgang in en ondanks waarschuwingen van Kees blijft hij doorrennen. De diensthond vliegt hem achterna en uit alle macht weet Francois nog het hekwerk te bereiken aan de andere kant van de brandgang. Hij springt op het hekwerk met punten en blijft met zijn broeksriem steken aan de scherpe punten. Ongenadig hapt de diensthond in zijn onderbeen, het been wat zo mooi weer geheeld was. Er klettert iets op de grond wat uit de broeksband van Francois valt. Het blijkt een vuurwapen te zijn wat hij bij zich had. Doordat François blijft hangen aan het hekwerk scheurt de 40 kilo zware diensthond van Kees de kuit van hem er zowat af, voordat Kees erbij is. Het ziet er niet best uit, hij gilt van de pijn. Wij hebben in ieder geval geluk gehad dat we niet beschoten zijn door François en verzoeken een ambulance ter plaatse. Dit keer klinkt er geen ‘Vive la France’ maar veel gekerm. In het ziekenhuis vraagt de arts of er een granaat tegen het been van François is ontploft. Droogjes antwoordt mijn collega dat er een vriendelijke diensthond in heeft gehapt. Verbaasd kijkt de arts hem aan en vraagt of we ook tijgers in dienst hebben.

François zal nooit meer normaal kunnen lopen en verblijft enkele weken in het ziekenhuis, vanwaar hij naar de gevangenis gaat. Hij krijgt enkele jaren gevangenisstraf en zal niet meer terugkeren bij ons in de wijk, omdat zijn schuldeisers hem zeker gaan zoeken en (nog) minder humaan voor hem zullen zijn.
Kees was trots op zijn trouwe viervoeter en kon terugkijken op een mooie laatste inzet.

maandag 13 oktober 2014

Vive la France!

Met ons team (zie blog 'kind ontvoerd' 2 dec 2013) hebben we bijna elke dienst prijs. Veel (over)uren draaien met als hoofdmoot veel drugsdealers, vuurwapens en gevaarlijke verdachten pakken.

Nu hebben we de laatste tijd veel last van een jongeman, een Fransman, die de plaatselijke junken op diverse locaties van de nodige drugs voorziet. Het trekt behoorlijk wat junken aan in onze wijk, met als gevolg dat er veel auto-inbraken en woninginbraken zijn. Hij, ik zal hem François noemen, schijnt over behoorlijke hoeveelheden drugs te beschikken, maar als we hem willen aanhouden ontspringt hij telkens de dans.
Als we hem denken te hebben, springt hij dwars door de ruit heen (oud pand met enkel glas) vanaf de eerste etage in de tuin en ontkomt. Een normaal mens zou vol met snijwonden zitten of botbreuken hebben, maar gekomen in de tuin ontbreekt van hem elk spoor.

Dan krijgen we een tip dat François op de derde etage van een flat in de B straat zou verblijven en daar voor veel overlast zorgt in het portiek.
Om dit eerst in kaart te brengen zoeken we in de omgeving naar leegstaande woningen waarvandaan we zicht kunnen krijgen op deze woning. Dit blijkt nog niet zo makkelijk te zijn, dus gaan we eerst eens even een kijkje bij de woning nemen. We hebben in de loop der tijd veel werkkleding en klusmateriaal verzameld, dus verkleed als loodgieters met gereedschapskoffers in onze hand kloppen we op een ochtend op de deur van het pand.

Na lang kloppen wordt er opengedaan door een voor ons onbekende Franssprekende jongeman. Tja, daar staan we dan met zijn tweeën, terwijl je verwacht had dat er een Nederlandssprekende persoon de deur zou openen. Het beste frans wat we allebei kunnen spreken is politietaal, maar om nou uit te leggen dat we een kijkje willen nemen op het balkon om de regenpijp te repareren lukt ons niet.
We vertrekken weer en besluiten om de volgende dag in de avond te gaan posten om te kijken wat voor ‘verkeer’ er op een avond langskomt.
Het pand blijkt inderdaad druk bezocht te worden door drugstoeristen, dus er moet toch wel een behoorlijke hoeveelheid drugs aanwezig zijn.

Die avond verschijnt er omstreeks 22:00 uur een peperdure BMW die voor de deur van het portiek wordt geparkeerd. François stapt uit met een flinke sporttas en gaat naar binnen. Binnen korte tijd hangen we onze oorlogsuitrusting om en bereiden een ‘instap’ voor.
Met een team van acht man gaan we richting het pand. Twee van ons team vatten post aan de achterzijde van het pand. Ondanks dat de woning op de derde etage gelegen is met alleen een balkon weet je het nooit. Een kat in het nauw maakt rare sprongen en dat blijkt achteraf ook wel.
Met zes man betreden we het portiek en stormen de trap op naar de bovenste etage. Ik heb de ram, een ijzeren massieve pijp van 20 kilo met twee handvatten, in mijn hand en ram ongenadig hard op het slot van de deur. In tegenstelling tot waar wij op rekenen gaat de deur niet open, maar veert telkens terug. Grote klappen klinken in het trappenhuis, maar de deur gaat niet kapot.
Van het vele rammen met dat zware ding wordt je echt wel moe, dus neemt een collega het over. Deze ramt zo hard op het midden van de deur dat deze in tweeën splijt. We stormen naar binnen en zien dat er vier personen in het huis aanwezig zijn. Daarbij is ook de jongeman die we de dag ervoor als loodgieters aangesproken hebben.

We doorzoeken het hele huis, maar vinden François niet. Wel zien we dat men bezig is geweest om zoveel mogelijk drugs door de wc te spoelen, gezien de klonters in de toiletpot en de verpakkingsmaterialen die er om heen liggen.
Via onze verbindingsmiddelen horen we dat collega’s een man hebben gezien op het balkon van de woning waar we zojuist zijn binnengevallen.
We zien dat de balkondeur inderdaad openstaat. Een collega loopt het balkon op en ziet op dat moment een schim achter een kast, die op het balkon staat, aan de regenpijp hangen. Nu zijn regenpijpen sowieso niet bedoeld om aan te hangen, maar de kwaliteit van de regenpijpen van deze oude panden zijn erg slecht. François blijkt aan de regenpijp te hangen en voordat de collega hem kan beetpakken breekt deze af en valt hij naar beneden.
Het gevolg is een doffe klap in de donkere tuin, gevolgd door gekreun.
Ik sta inmiddels naast de collega en schijn met mijn lamp de tuin in. Op de grond kruipt François inmiddels naar de achterzijde van de tuin. De collega’s, die over de schutting zijn geklommen, ‘ontfermen’ zich over hem.

Wij houden de vier verdachten in de woonkamer aan en brengen deze naar de inmiddels gearriveerde busjes, die ze transporteren naar bureau Zuidplein.
We horen van de collega’s dat François behoorlijk gewond is aan zijn been. Ze vragen ons om een ambulance ter plaatse te laten komen. Verder verzoeken ze ons om te proberen de bewoners op de begane grond wakker te maken, zodat we via hun huis toegang kunnen krijgen tot de tuin. Het blijkt dat er geen achteruitgang is in de tuin en het ambulancepersoneel er anders niet bij kan komen.
We bonzen op de voordeur van de benedenwoning en er wordt opengedaan door een ouder echtpaar. Deze kijken nogal verschrikt, wat natuurlijk logisch is.
We vertellen in het kort wat er aan de hand is en vragen hen om toegang tot de tuin.
François blijkt een open botbreuk aan zijn rechterbeen te hebben.

Als de ambulance arriveert, blijkt de brancard niet door de smalle gangen van de woning te passen, zodat François vanuit de tuin door het huis getild moet worden. Uiteraard krijgt de verdachte eerst een flinke verdoving.
Wat voor goedje het is weet ik niet, maar na de toediening werkt het zo goed dat de verdachte begint te zingen. Als we hem door het huis heen slepen kijkt het oudere echtpaar verbijsterd toe. François zingt uit volle borst: “Vive la France!; Vive Hollandia; Hup Holland hup!”. Daarna begint hij “We are the champions” te zingen tot in de ambulance aan toe. We liggen helemaal in een deuk tijdens het sjouwen. Het bot van zijn onderbeen steekt eruit en hij zingt de sterren van de hemel.

Na drie dagen zitten we in verhoor met François. Hij ziet er een stuk slechter uit en zingt een toontje lager. Met een van pijn verwrongen gezicht is hij weer de oude. Hij wenst niets te verklaren en te zeggen, dan alleen dat hij veel pijn heeft. Ik heb geen medelijden met hem, want ik weet dat de ellende door blijft gaan, zodra hij weer op de been is.

Blog wordt vervolgd 27 oktober 2014.
 

maandag 29 september 2014

Bekende Nederlander





Bekende Nederlanders, ik heb ze menig keer gehad. Niet alleen met een begeleiding, maar ook in bekeuringsituaties. Sommigen van hen denken boven de wet te staan. Zij worden in het dagelijks leven waarschijnlijk zelden tegengesproken in hun functie. Ook niet door een motoragent. Maar het ergste vinden ze het als je ze niet herkent.





Op de snelweg zie ik een luxe sportauto, met een hogere snelheid dan toegestaan, rijden in de richting van Dordrecht. Nou zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, dus rijd ik op de parallelbaan mee op mijn dienstmotor. Op het stuk van de A15, pal gelegen naast de A16, rijd ik op gelijkblijvende afstand met de auto mee en klok de snelheid op 155 kilometer per uur. Na correctie blijft er nog 142 kilometer per uur over, toch een overschrijding van 42 kilometer per uur boven de maximum snelheid van 100 kilometer per uur. Bij de samenvoeging van beide rijkswegen, ter hoogte van Hendrik-Ido-Ambacht, kom ik naast de genoemde auto te rijden en geef de bestuurder een teken tot volgen. De man, met een gebruind gezicht en donkere zonnebril, kijkt me aan en maakt met zijn hoofd een gebaar van “wat moet je nou?” Ik wijs nogmaals dat hij me moet volgen, maar hij blijft op de rijstrook voor rechtdoor rijden, zodat ik hem enigszins door af te remmen moet dwingen om de afrit naar het tankstation te nemen. Ik zie dat hij met zijn armen zit te gebaren, hij heeft er duidelijk geen zin in.

Ik laat hem volgen naar de parkeerplaats van het tankstation en spreek hem aan. Hij stapt uit en al direct voordat ik hem aanspreek, begint hij al te zeuren of ik hem niet normaal langs de kant kan zetten. Hij vindt mij agressief overkomen en wenst zo niet behandeld te worden. Ik wens hem eerst een goedenavond en leg uit dat ik toch erg duidelijk ben geweest met het geven van mijn tekens. Ik vraag hem naar zijn rijbewijs, maar hij verklaart dat hij dit niet bij zich heeft. Ook een ander legitimatiebewijs kan hij niet tonen. Na herhaaldelijk mij in de rede te vallen, vertel ik hem duidelijk dat ik eerst de reden van staandehouding wil vertellen.

Ik vertel dat ik hem een bekeuring wil geven in verband met een overschrijding van de maximum snelheid en ik daarom een origineel legitimatiebewijs in handen wil hebben.
De arrogantie druipt van het gezicht van de man af, die kennelijk niets, maar dan ook echt niets, van een agent wil horen.
Ik pak mijn opschrijfboekje en vraag naar zijn naam. Vol ongeloof, kennelijk vraag ik iets volslagen vreemds, vraagt hij aan mij of ik hem niet herken. Ik antwoord ontkennend en vraag nogmaals naar zijn naam. Opnieuw vraagt hij of ik echt niet weet wie hij is. Ik begin me te irriteren en zeg tegen hem dat, als hij niet onmiddellijk begint met het opgeven van zijn naam, ik hem ga aanhouden en op het bureau wel uitzoek wie hij echt is.
Hij zegt: “Ik ben Bob de Man (gefingeerd) voetballer van club X! Ken je mij niet?”.
Ik kijk hem aan en zeg: “Ik ben Piet Kats van de politie, ken je mij niet? “.
Hij kijkt me met een verbaasd gezicht aan, is even perplex en loopt vervolgens rood van kwaadheid aan. “Je doet gewoon of je me niet herkent!” roept hij uit.
Ik antwoord dat ik totaal niet van voetbal houd, dus hem helaas ook niet herken en liever heb dat hij zijn zaakjes op orde heeft.
Nadat ik zijn personalia heb opgeschreven vraag ik via de portofoon om de gegevens van de bestuurder te controleren. Ik deel de collega tevens mede dat mijnheer zegt dat hij een bekende voetballer is. De collega vraagt of ik daadwerkelijk ‘de ‘ Bob de Man heb staande gehouden. Het zou best kunnen is mijn antwoord, maar ik ken hem in ieder geval niet.

Bob, die dicht naast me staat en hoort wat de collega zegt, roept uit dat aan de andere kant van de lijn gelukkig een voetbalkenner zit die tenminste weet wie hij is.
Hij roept het uit: “Zie je nou wel dat ik het ben!”. Ik vertel hem dat ik alleen nog steeds niet weet wie er voor me staat en dat hij wel kan zeggen dat hij de sultan van Brunei is, maar dit nog altijd niet te controleren is.
Helaas ben ik in het verleden meerdere keren in dit soort grappen getrapt.
Het praten van Bob gaat over in schreeuwen. Ik vraag hem hoe professioneel hij zich kan gedragen, zeker een vermeende topvoetballer, die miljoenen verdient en zich op deze manier gedraagt.

Dan word ik het zat. Ik vertel hem op mijn manier dat hij zich normaal moet gaan gedragen.
Ik geef hem twee opties. Of hij werkt mee en rijdt achter mij aan terug naar Rotterdam en laat iemand zijn legitimatiebewijs naar het politiebureau brengen.
Of hij werkt niet mee en frommel ik hem in een politiebus. Dan mag hij via de ‘artiesteningang’ het politiebureau binnen.
Hij vraagt mij of ik hem uitdaag, maar kennelijk zegt mijn gezichtsuitdrukking genoeg. Hij kiest eieren voor zijn geld en zegt mee te werken door achter mij aan te rijden naar het politiebureau. Terloops belt hij nog even zijn vriendin en ‘schreeuwt’ dat zij onmiddellijk zijn legitimatiebewijs MOET komen brengen. Hoofdschuddend stap ik op mijn motor. Ik behandel mijn hond nog niet op deze manier.

Op het bureau werd er natuurlijk hard gelachen om het feit dat ik niet eens wist dat Bob een bekende voetballer was. Bob zijn vriendin kwam uiteindelijk het legitimatiebewijs brengen en hij kreeg zijn gele briefje. De bekeuring was een haar uit zijn hoofd. Het ergste was die agent op de motor, die niet wist wie hij was en die hem, Bob de Man, zo onnodig lang ophield.

(Volgende blog verschijnt op 13 oktober)

maandag 15 september 2014

‘Ik heb ‘m!”





Je wordt er soms niet goed van. Meldingen van aanrijdingen, waarbij de veroorzaker is doorgereden. De mentaliteit van bestuurders is dikwijls ver beneden peil. Dit wordt mede veroorzaakt door de zogenaamde no-claim regeling, waardoor de veroorzaker van een aanrijding stijgt in premie. Maar het meest schrijnende is wanneer men een aanrijding met letsel veroorzaakt en het slachtoffer in hulpeloze toestand achterlaat.





Vannacht ben ik brigadier van dienst en neem ik Pieter mee. Pieter is directeur van een basisschool en wil graag een dienst meedraaien om het politiewerk van dichtbij mee te maken. Uiteraard kan ik hem niet beloven dat het een spannende dienst gaat worden. Aan het begin van elke dienst weet je nooit wat je te wachten staat, een ogenschijnlijk saaie dienst kan uitmonden in een gevecht voor je leven. Ik geef aan Pieter een steek/kogelwerend vest, om onder zijn trui te dragen.
Bij aanvang van een dienst hebben we altijd een briefing, waarbij de belangrijkste problemen besproken worden en aandachtspunten aan de orde komen die mogelijk in de komende dienst gaan spelen. Hierbij moet je denken aan overlastgevende plekken of personen in de wijk en kentekens van verdachte voertuigen die getoond worden met alle informatie erbij.
Pieter zit in ieder geval al met grote ogen te kijken naar het scherm, want zo op het eerste gezicht lijkt het wel of het tijdens deze dienst oorlog wordt.

We nemen diverse meldingen voor onze rekening van geluidsoverlast, waarbij de muziek wel erg hard staat. Zo komen we ook terecht bij een (meiden)studentenfeest en worden we ingesloten door een hele horde meiden die met ons op de foto willen. We vragen de hoofdbewoner om de muziek wat zachter te zetten, anders volgt een proces-verbaal en ‘vluchten’ de woning uit.
Dan volgt een melding van een huiselijk geweld, waarbij een vrouw door haar ex-man tot bloedens toe geslagen is. We stappen de woning binnen en zien veel bloed. De vrouw is hevig toegetakeld en haar ex-man heeft de woning inmiddels verlaten. Als we met haar staan te praten hoor ik gestommel in het trappenhuis. Ik vlieg langs Pieter heen en zie nog net dat een manspersoon, die voldoet aan het signalement van de ex-man, voorbij loopt. Hij bleek zich bij onze komst verstopt te hebben boven in het trappenhuis en wilde nu ontsnappen. Ik ‘frommel’ hem tegen de muur met enige dwang en plaats hem in de boeien. Het verbaasde hoofd van Pieter verschijnt bij de voordeur. “Ik heb ‘m!” roep ik naar hem.

Na de nodige administratie is het al 03.00 uur als in het centrum in Rotterdam een melding valt van een auto, die met hoge snelheid, een meisje geschept heeft. Het meisje is op de motorkap van de auto terecht gekomen, daarna door de lucht gevlogen en op het wegdek gesmakt. De bestuurder rijdt door en laat het meisje zwaar gewond achter. Veel getuigen hebben het ongeval zien gebeuren en zijn in shock. Het moet er vreselijk uit zien. Door de politiemensen en de meldkamer wordt alles op alles gezet om de bestuurder te pakken. Wat je dan ziet is dat de meldkamer overspoelt wordt met informatie van veel bellers, die allemaal zeker weten wat voor auto ze gezien hebben. Het zou moeten gaan om een zwarte Mercedes met taxikentekenplaten, een donkere BMW met een Belgisch kenteken of een zwarte Audi. Het traumateam arriveert met de traumaheli en er wordt voor het leven gevochten van het meisje. Mijn eerste reactie tegen Pieter is dat ik die graag zou willen pakken. Maar waar moet je gaan zoeken als niet eens bekend is wat voor type auto het is en onbekend is wat het kenteken is? Nou geloof me, ik heb die nacht nog nooit zoveel donkere BMW's, Mercedessen en Audi's voorbij zien rijden.
Uit ervaring weet ik wel dat, wanneer iemand geschept is, meestal de voorruit verbrijzeld wordt van de auto. Er moeten dus duidelijk sporen zijn op de auto van een aanrijding. We nemen een tactische positie in en wachten af. Geduld is een schone zaak, hoewel lang wachten voor een politieagent best moeilijk is, omdat je graag in beweging bent.
Na anderhalf uur wachten besluiten we om onze positie te verlaten, maar toch blijft het aan me knagen. Ik heb het vermoeden dat hij zich ergens verborgen heeft en straks zijn schuilplaats zal verlaten. Na een korte pitstop besluit ik om even naar het centrum te rijden en van de plaats van het ongeval een denkbeeldige richting te bekijken. Ik verplaats mij in de verdachte en bedenk waar ik in paniek naar toe gereden zou zijn. We rijden richting de havens en rijden daar een rondje. Ik besluit ik om toch weer even naar onze eerste positie te rijden, omdat de ochtend begint te gloren en ik het vermoeden heb dat de bestuurder, voordat het licht wordt, uit zijn schuilplaats komt.
Op weg naar deze positie waan ik spoken te zien. Ik geloof niet in toeval, maar ons komt een donkere auto tegemoet, waarvan ik toch echt meen in het licht van de straatlantaarn te zien dat de voorruit verbrijzeld is. Tijdens het passeren geef ik Pieter een enorme stomp en ik schreeuw: “Dat is ‘m!!” Pieter zit me met grote ogen aan te kijken als ik een enorme ruk aan mijn stuur geef en de dienstauto met gillende banden draai. Mijn adrenalinepeil wordt torenhoog en ik zet de achtervolging in. De bestuurder rijdt als een waanzinnige, maar wordt beperkt in zijn zicht door de verbrijzelde ruit. Zijn hoofd steekt door het geopende portierraam en op die manier bestuurt hij de auto. Ik zeg tegen Pieter dat hij zich moet voorbereiden op een achtervolging, waarbij ik mogelijk de auto ga rammen. Ik ben vastbesloten om, hoe dan ook, de bestuurder tot stoppen te dwingen. Het kan me op dat moment niet schelen of ik de hele dienstauto aan gort rijd, als we hem maar kunnen aanhouden. Ik zie dat Pieter zich met beide handen krampachtig aan de deurgreep en middenconsole vasthoudt.
Nadat ik het zwaailicht, de sirene en het stopbord heb aangezet lijkt de bestuurder zachter te gaan rijden en een parallelweg op te rijden. Ik ga links naast hem rijden en dwing hem de parallelweg op. Maar plotseling stuurt hij naar links en wil toch weer de hoofdrijbaan oprijden. Ik snijd hem echter af en wacht op de botsing, maar hij geeft zich gewonnen en rijdt de parallelweg op, langzaam rijdend. Ik volg hem opnieuw en weet mij weer links van de auto te wringen en snijd hem opnieuw. We hebben oogcontact en woest kijk ik de bestuurder aan. Hij stopt en zet hem in een parkeervak. Omdat ik niet zeker weet of hij weer gaat rijden, rijd ik een klein stukje achteruit en zet groot licht op de auto. Ik pak de megafoon en schreeuw dat hij de sleutels van het voertuig naar buiten moet gooien en beide handen naar buiten moet steken. Gedwee volgt hij mijn instructies op. Ik geef Pieter wederom een stomp en sommeer dat hij onmiddelijk uit moet stappen en op afstand moet gaan staan. Dan spring ik uit de auto, benader de bestuurder en grijp beiden handen stevig vast. Uiteindelijk trek ik hem uit zijn auto, boei hem en leg hem op de grond. Het eerste wat de verdachte zegt is dat het hem spijt dat hij doorgereden is na de aanrijding met het meisje, maar dat hij in paniek was. Ik ruik een sterke dranklucht en weet eigenlijk al voldoende.
Dan pas komt het besef dat het misschien handig is om de meldkamer te roepen. Ik geef een urgente spraakoproep aan de meldkamer. Kok, van de meldkamer vraagt: “10.10 met een urgente spraakoproep!”. Al hijgend zeg ik: “Meldkamer, ik heb ‘m!” Het blijft even stil, maar Kok snapt onmiddellijk waar ik het over heb. Hij vraagt of ik de auto staande heb en de verdachte aangehouden heb, waarop ik bevestigend antwoord. Hij vraagt of ik er zeker van ben dat ik de juiste verdachte gevangen heb, waarop ik antwoord dat ik mijn schoen opvreet als het niet waar is.
Inmiddels is Pieter ook uit de dienstauto gekomen en komt bij mij staan. Hij glundert ver tot over zijn oren en vindt het helemaal geweldig. Dan komen overal de ‘toeters en bellen’ vandaan. Boudewijn, de chef van dienst, is als eerste ter plaatse en feliciteert me. Het begint op een reünie te lijken, want zelfs Wobbe, de chef van dienst van district Oost komt ter plaatse en feliciteert me ook. We zijn blij met z’n allen dat de verdachte gevangen is, het maakt op zo’n moment totaal niet uit welke collega het doet. De buurtbewoners zijn overigens niet zo blij, want er steken veel verwarde hoofden uit de ramen.
Duidelijk is te zien waar het meisje de auto geraakt heeft. Haar lange haren zitten als stille getuigen in de versplinterde ruit. Deze zijn door het breken van de voorruit uit haar hoofd getrokken. Inmiddels is het 06:30 uur als de auto van de verdachte door de takeldienst wordt opgehaald voor een reconstructie op de plaats van het ongeval. Pieter rijdt met Boudewijn mee om getuige te zijn van de reconstructie. Na afloop krijg ik van Pieter een drijfnat steek/kogeldwerend vest terug. Ik vraag of ik de kachel in de auto iets minder had moeten zetten, waarop hij een misprijzend gezicht naar me trekt. Hij vertelt dat hij mishandeld is door mijn gestomp en aangifte te willen doen. Uiteindelijk ben ik om 11:00 uur thuis en kan eindelijk slapen.
Pieter bleek na zijn thuiskomst helemaal niet te kunnen slapen. In geuren en kleuren had hij aan zijn vrouw verteld, wat hij allemaal meegemaakt had. Hij vond het indrukwekkend, spannend en geweldig. Het is toch iets anders als voor de klas staan, hoewel ik daar bewondering voor heb en zweetdruppels van zou krijgen.
Soms moet je in je werk geluk hebben, hoewel de aanleiding heel wat minder prettig is in dit geval.

(volgende blog 29 sept)

 

maandag 1 september 2014

Vlammetjes


Er zijn mensen in ons surveillancegebied die je altijd op straat ziet. Zodra er een incident is staan ze met hun neus vooraan en bemoeien zich overal mee. Je hebt dan eigenlijk twee soorten die op komen dagen, de goeie en de slechte. Van de goeie hebben we vaak niet zo’n last, daar krijgen we nog wel eens tips van.

We hebben de scannerrijders (tegenwoordig P2000), zoals Michel, die op z'n brommertje steevast meerijdt naar meldingen. Hij maakt dan stiekem foto's van onze acties, maar geeft ook tips aan ons van mogelijke verdachten in de omgeving.
Zo hebben we ook Bertus uit de B-straat, gelegen in de slechtste wijk van Rotterdam-Zuid. Bertus is zo’n goeie, helaas is hij wel alcoholist. Bertus is alleenstaand en heeft heel weinig familie of vrienden. Bertus beschouwt ons als ZIJN vrienden.
Bertus heeft het directe telefoonnummer van de wachtcommandant van bureau Zuidplein en belt ons, soms tot overmaat van ramp, regelmatig met zijn hese stem op als hij weer wat gezien heeft op het gebied van drugs en wapens. Vooral als hij niet al teveel alcohol op heeft trekken we zijn tips na, maar als hij lallend belt houden we hem straal voor de gek net zo lang tot hij ophangt of wij de hoorn erop gooien. Bertus doet dan of hij boos wordt, maar we weten dat hij de aandacht, die hij krijgt, geweldig vindt.

‘s Nachts om 03.00 uur belt hij weer eens op, al wauwelend, en meldt dat hij vlammetjes aan de overzijde bij de buren ziet. Ik zet hem op de luidspreker, zodat de aanwezige collega’s mee kunnen luisteren, en vraag hem met een eveneens hese stem of het oranje vlammetjes zijn of vlammetjes uit de frituurpan. Vervolgens roep ik naar Bertus dat het tijd wordt om zijn pyjama aan te doen en te gaan slapen en hang op. Maar Bertus blijft achter elkaar bellen, iets wat hij nooit doet. Ondanks dat hij weer aardig onder invloed lijkt, klinkt zijn stem toch wel serieus. Ik beloof dat we komen en we rijden toch wel met gezwinde spoed naar het adres toe. Bertus staat in zijn onderbroek op straat heftig te gebaren naar het pand aan de overkant en we zien inderdaad vlammen op de begane grond in de woonkamer van de woning. We verzoeken de meldkamer onmiddellijk om de brandweer te sturen.
We trappen de deur van de woning open en roepen of er mensen aanwezig zijn. Van boven van de trap komt er een man in nachtkleding aangewaggeld, die halverwege de trap blijft staan. We vragen of er nog meer mensen in de woning aanwezig zijn en het blijkt dat zijn vrouw nog op bed ligt. Hij vraagt wat er aan de hand is en we schreeuwen dat hij onmiddellijk zijn vrouw uit bed moet halen en naar buiten moet komen omdat zijn woonkamer in de fik staat. Hij staat ons zo schaapachtig aan te kijken dat mijn collega hem opzij duwt, de trap opstormt en de vrouw uit bed trommelt. Na korte tijd staan de man en zijn vrouw klappertandend op straat. Bertus is echt boos op ons, omdat wij hem niet wilden geloven. Niet zo gek natuurlijk, maar deze keer heeft hij echt gelijk en we bieden onze excuses aan.
Nog geen 5 minuten later slaan de vlammen uit het pand en is ook de weg naar de bovenverdieping geblokkeerd door het vuur. We besluiten om Bertus eens in het zonnetje te zetten en bellen stiekem Radio Rijnmond. De volgende dag wordt Bertus als een held door radio Rijnmond geïnterviewd. Hij heeft het dubbel en dwars verdiend en we hebben echt ons best gedaan om ons icoon in het zonnetje te zetten. Ik voorzie Bertus van een lekkere doos sigaren en hij glundert van oor tot oor.
Hierna gaat alles weer op de oude voet verder, totdat we Bertus enige dagen niet zien. Dat is vreemd, dus gaan de collega’s poolshoogte nemen. Ze trappen de deur eruit en Bertus ligt dood op bed. Ik hoor dat Bertus overleden is en begraven zal worden op de Zuiderbegraafplaats. Gebruikelijk is het niet echt, maar op de dag van zijn begrafenis rij ik samen met een collega, in uniform, naar de kapel van de begraafplaats, waar we de afscheidsdienst bijwonen. Wat is de weinige familie blij om te horen dat we toch trots zijn op onze Bertus, ondanks de vele loze telefoontjes naar de wachtcommandant. We hebben het daarna nog vaak over Bertus gehad en eigenlijk missen we hem toch best wel….
volgende blog 15 september
 

 

 

maandag 11 augustus 2014

Kamikazes

Werken op of langs de snelweg is levensgevaarlijk. Ongeacht matrixborden, pijlwagens, botsabsorbers en een overvloed aan verkeersmaatregelen worden deze wegmaterialen toch aan gort gereden door automobilisten. Laten we zeggen dat de doorstroom van materialen in deze sector best goed is. Materiaal van Rijkswaterstaat wordt regelmatig vernieuwd, niet vanwege ouderdom maar door onoplettende bestuurders. Eigenlijk zou iedereen eens een keer in de schoenen van een wegwerker, Rijkswaterstaatmedewerkers, ANWB’ers, de bergers of de andere hulpdiensten moeten staan om te ontdekken dat die eigenlijk nog een paar ogen aan de achterkant van het hoofd missen. De Kat(s) met negen levens, grappen de collega's wel eens over me.
De laatste werkdag voor de zomervakantie krijg ik een melding dat er een auto uit de bocht is gevlogen op de snelweg. De bestuurster zou mogelijk bekneld zitten en de auto zou levensgevaarlijk staan, zodat de mogelijkheid bestaat dat er nog meer auto’s op botsen. We rijden met zwaailicht en sirene naar de plaats van het ongeval toe en treffen de auto inderdaad midden op de rechterrijstrook aan. De hulpverleners wordt geleerd eerst veiligheidsmaatregelen te treffen, zodat er niet nog meer aanrijdingen gebeuren. Ik trek mijn gele hesje aan en plaats onze politieauto 100 meter voor de aanrijding in een dwingende positie, de zogenaamde fend-off positie. Dat wil zeggen dat de auto met de neus feitelijk de richting aangeeft waar de automobilisten heen moeten rijden, dus in dit geval naar de linkerrijstrook. Ook zet ik de blauwe zwaailichten aan. We vragen tevens bij Rijkswaterstaat (rode) kruizen aan op de rechterrijstrook en tevens een snelheidsbeperking. Nou weet ik uit ervaring dat sommige automobilisten daar werkelijk lak aan hebben, dus plaats ik tussen onze auto en de gecrashte auto ook nog pylonen.
Dan begint het "feest". De ambulancemedewerkers, die ter plaatse komen, zetten hun voertuig voorbij de aanrijding. Net als de ambulancechauffeur is uitgestapt raakt een automobilist de pylon die ik naast het gecrashte voertuig heb neergezet. Met een grote klap vliegt de pylon door de lucht en ik zie nog net dat deze op een haar na de ambulancechauffeur mist. De geschrokken ambulancechauffeur duikt weg achter de ambulance. Helaas kan ik van deze auto niet het kenteken noteren. De bestuurster blijkt niet bekneld te zitten, maar zit inmiddels veilig achter de vangrail en wordt door de ambulancemedewerkers ter plaatse nagekeken. Ondanks dat duidelijk te zien is dat er een aanrijding is gebeurd en de genomen verkeersmaatregelen, blijft de snelheid van de voorbijkomende auto´s hoog. Helaas kunnen we de gecrashte auto niet zelf opzij zetten, dus moeten we wachten op de bergingstakel(wagen).
Ik loop nog even terug naar de politieauto om wat spullen te pakken. Het belangrijkste is dat we altijd in het zicht heen en teruglopen. En dat is maar goed ook, want in de verte zie ik een auto aankomen die met een behoorlijke vaart aan komt rijden op de rijstrook die afgekruist is. Ik vraag me af of hij nog gaat remmen. Met volle vaart rijdt hij op de politieauto af. Als aan de grond genageld wacht ik op de grote klap die gaat komen. Ik heb inmiddels een paar stappen opzij gedaan en sta tegen de vangrail (geleiderail) op de vluchtstrook. Ik zie dat hij met zijn rechterhand tegen zijn rechteroor zit en concludeer dat hij waarschijnlijk druk bezig is met bellen. Op het laatste moment gooit de bestuurder zijn stuur om. Links voorbij de politieauto gaan kan niet, omdat daar een langzaam rijdende auto rijdt. Hij stuurt dan rechts om de politieauto heen, recht op mij af. Dit wordt mijn dood dacht ik nog. In een flits spring ik achterwaarts over de vangrail heen en smak op mijn rug. Dan hoor ik een enorme klap, gevolgd door het geluid van brekend glas en scheurend metaal.
Ik lig op mijn rug en doe mijn ogen open. Het eerste wat ik denk is dat ik nog leef en ongedeerd ben, behalve een zere rug en een ontzettend zeer achterwerk. Er buigt zich iemand over me heen en ik kijk in de ogen van een verbijsterde medewerker van Rijkswaterstaat. Hij zegt: “Ik dacht dat je dood was!”  Het blijkt dat hij, op het moment van crash, achter deze auto reed en alles zag gebeuren. Nadat de auto tot stilstand kwam, was ik verdwenen en hij dacht werkelijk dat ik voor zijn ogen dood werd gereden. Ik krabbel overeind en klop mijn kleding af. Dan komt de bestuurder aanlopen en roept dat het hem spijt. Ik kan mijn emoties niet meer bedwingen. Ik begin werkelijk te trillen als een rietje en wil de bestuurder aanvliegen. Gelukkig houden de medewerker van Rijkswaterstaat en mijn collega me tegen, want ik wil de bestuurder aanvliegen. Heftig schuddend met armen en benen, waarschijnlijk spierverkramping door de abnormale salto achterover, scheld ik de bestuurder helemaal de huid vol.
De bestuurder druipt af en wordt meegenomen door mijn collega. Op de plaats, waar ik zojuist gestaan heb, is weinig meer van de vangrail over. Ik besef dat ik enorm veel geluk heb gehad. De collega’s van de ambulance komen nog even naar me kijken en ik grap nog tegen de ambulancechauffeur of hij net niet per ongeluk een pylon heeft voorbij zien vliegen. De gehele bocht wordt door Rijkswaterstaat afgesloten, zodat beide gecrashte voertuigen veilig geborgen kunnen worden. De bestuurder, die mij bijna aanreed, wordt meegenomen voor verhoor naar het bureau. Het blijkt dat hij inderdaad druk bezig was met zijn mobiel en geen rode kruizen of de politieauto met blauwe zwaailichten heeft zien staan.
Op het bureau gekomen en na gekalmeerd te zijn spreek ik nog met de bestuurder. Ik bied hem mijn excuses aan voor mijn gedrag en mijn woordkeuze, maar hij wil hier niks van weten. Hij zegt me volledig te begrijpen en is ontzettend blij dat ik er zo vanaf gekomen ben. We schudden elkaar de  hand. Hem wordt een proces-verbaal aangezegd voor het gevaar en/of hinder veroorzaken op de weg. 
Zoals gezegd was dit niet de eerste keer dat ik bijna dood ben gereden. Veel mensen begrijpen niet waarom soms ruim van tevoren de weg wordt afgesloten en het verkeer wordt gedwongen om langzaam te rijden. Die vraag wordt mij vele keren gesteld of dit niet onzinnig is. Ik vraag mij wel eens af, wie zijn nou de kamikazes? Wij als wegwerkers of sommige automobilisten die niet beseffen dat zij dat zijn?
 
Tijd voor vakantie….. (volgende blog 1 sept).

P.S. Ik wil mijn lezers/fans bedanken voor de leuke reacties via de blog/facebook en Twitter. Inmiddels ben ik de één miljoen keer gepasseerd, dat mijn blog is aangeklikt. Geweldig toch?

 

dinsdag 5 augustus 2014

Zo'n lieve man

Midden in een zomernacht rijd ik op de dienstmotor door één van de dorpen onder Rotterdam Zuid. Er worden de laatste tijd veel inbraken gepleegd en de motor is een ideaal en snel middel om de met drempels en palen bezaaide wijken te doorkruisen.


Omstreeks 02:00 uur komt mij een kleine auto tegemoet, waarvan ik besluit deze even te controleren. Achter het stuur zit een gezette man met een onfris uiterlijk en daarnaast zit een knappe jongedame. Nou ga ik niet over relaties, maar bij deze combinatie frons ik mijn wenkbrauwen en mijn onderbuikgevoel zegt mij dat dit niet klopt. Beiden verklaren uit het café te zijn gekomen en een goed gesprek te hebben gehad. De man had aangeboden haar even thuis te brengen en daar gelijk nog even een kopje koffie te drinken. Ik laat de man blazen, maar deze blijkt geen alcohol gedronken te hebben. Zij is stevig onder invloed en heeft een vrolijke dronk, mij iets te vrolijk. Ik vraag haar waar zij woont en ze wijst mij haar huis aan. Dit is schuin tegenover de plaats waar ik hen staande houd. Ik wens ze een prettig samenzijn. Aan de man merk ik dat hij het helemaal niet leuk vindt dat hij gecontroleerd wordt, omdat ik kennelijk zijn feestje verstoor. De auto van de man staat half op het trottoir geparkeerd. Ik zeg tegen de man dat hij de auto zo wel kan laten staan, dit met voorbedachten rade.

Als ze binnen zijn vraag ik de man via de politiesystemen na. Hij woont met een vrouw en zijn vier kinderen op een adres in Rotterdam, maar mijn nieuwsgierigheid wordt gewekt als ik zie dat hij diverse aandachtvestigingen heeft. Dit op het gebied van het lastig vallen van vrouwen. Ik besluit dit ‘feestje’, gelet op mijn onderbuikgevoel, te gaan verstoren. Ik ben er van overtuigd dat hij kwade bedoelingen heeft met de knappe jongedame. Na een uur rijd ik nogmaals langs het adres en zie ik de auto daar nog steeds staan. Ik stop voor het woonhuis en stap van mijn motor af. Ik loop naar het voorraam en schijn expres met mijn zaklamp naar binnen. Kort hierna doet de jongedame de deur open en ik vraag haar of de man er nog is. Ik merk aan haar houding dat er iets is en vraag haar de man te roepen. Ik vraag aan hem of hij de koffie al op heeft, zodat hij zijn geparkeerde auto, die half op de stoep staat, weer weg kan halen. Tenslotte heeft hij de auto daar voor even neergezet. Dit om een kop koffie te drinken en dat even is nu voorbij. Als blikken kunnen doden, was ik ter plekke dood neergevallen. Tot slot zegt hij tegen haar dat hij nog contact met haar opneemt. Hij loopt vervolgens naar zijn auto toe en rijdt weg.

Ik vraag haar wat er gebeurd is. Ze is plotsklaps een stuk nuchterder en haar vrolijkheid maakt plaats voor een huilbui. Ze vertelt mij dat de man, nadat ze een tijdje binnen waren, haar heeft geprobeerd te zoenen. Tevens had hij voorgesteld om de liefde met haar te bedrijven. Van handtastelijkheden was gelukkig geen sprake geweest. De alcohol was snel uitgewerkt toen ze door kreeg dat de man helemaal geen kopje koffie wilde. Zij was bang dat hij haar zou verkrachten. Verder geeft ze aan dat ze ontzettend blij was toen ik met het lampje de woonkamer in scheen. Het was voor haar een geschenk uit de hemel.

Ze vraagt of ik binnen wil komen voor een kopje koffie, maar ik sla dit beleefd af. Ik grap tegen haar dat ze dan mij misschien zal proberen te zoenen en dit een ongewenste situatie zal zijn. Met een verontwaardigde blik kijkt ze me aan. Ik stap met een lachend gezicht op de motor, zwaai naar haar en rijd weg. In plaats van inbrekers pakken heb ik me bemoeid met een niet-wederzijdse relatie, maar gelukkig niet voor niets. Tja, het leek zo’n lieve man...

maandag 28 juli 2014

De dader ligt op het kerkhof

Heftige incidenten kunnen leiden tot traumatische ervaringen bij hulpverleners. U moet u voorstellen dat menig hulpverlener in zijn/haar carrière veel dingen meemaakt die gewone burgers (gelukkig) in hun hele leven niet meemaken. Soms kun je best wakker liggen van heftige incidenten en laat je de film vele malen nog een keer de revue passeren. Niet voor niets zijn er hulpverleners of militairen die deze incidenten niet (meer) kunnen verwerken en Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) oplopen. Maar ook burgers kunnen traumatische ervaringen hebben van een incident, waarbij een verdachte geweld tegen een politieambtenaar gebruikt en diezelfde politieambtenaar geweld gebruikt tegen de verdachte. Soms moet je daar op gewezen worden.

Ik heb vandaag surveillance met de politiemotor in de buitengebieden van Rotterdam en krijg een melding van een inbraak heterdaad, waarbij een zwarte Opel met een bepaald kenteken is weggereden. Men kan een duidelijk signalement van de verdachte geven. De eigenaar van het voertuig komt veelvuldig voor vanwege inbraken en is vluchtgevaarlijk. Nog geen vijf minuten later kom ik de Opel tegen. Ik zie dat de bestuurder voldoet aan het opgegeven signalement. Ik zie dat hij naar mij kijkt en als ik keer zie ik dat hij zijn snelheid behoorlijk verhoogt. Echter voor de politiemotor is hij geen partij en al heel snel zit ik achter de auto. Ik geef aan de meldkamer door dat ik achter de genoemde Opel zit en dat ik hem blijf volgen tot er een politieauto zich bij mij voegt. We rijden de bebouwde kom van een dorp in, maar de verdachte blijft zijn hoge snelheid houden. Vanwege het gevaar zet ik mijn zwaailicht en sirene aan en zo belanden we midden in het centrum van het dorp. De verdachte probeert mij op allerlei manieren kwijt te rijden, maar door afstand te houden en snel weer te accelereren weet ik de verdachte prima bij te houden. Maar dan rijdt de verdachte een doodlopende straat in. Ik zie aan zijn stuurbewegingen dat hij wanhopig wordt en ik moet op mijn hoede zijn. Op ruime afstand wacht ik wat de verdachte doet.

Maar dan zie ik dat de achteruitrijdlichten gaan branden en komt de verdachte met zo’n hoge snelheid achteruit rijden dat ik niet meer weg kan komen. Een grote klap is het gevolg als de verdachte met zijn auto mijn motor raakt. Ik kom ten val en kan gelukkig ontkomen door tussen de geparkeerde auto’s te duiken. Schrapend en krakend schuift mijn motor achteruit. Wat ben ik blij dat ik niet meer op mijn motor zit! Met angstaanjagend loeiende motor probeert de verdachte mijn motor met zijn auto weg te schuiven. Ik pak mijn pistool en los een waarschuwingschot, maar dit heeft geen effect. Dan richt ik mijn pistool met mijn vinger aan de trekker op de verdachte en wil eigenlijk schieten. Maar als ik over mijn loop kijk zie ik een stuk verderop de basisschool waar op het schoolplein veel kinderen aan het spelen zijn. Ik verstijf. De verdachte kijkt recht in de loop van mijn pistool en rijdt volle vaart weer vooruit. Ik berg mijn pistool weer en ren achter de auto aan. Hij rijdt naast de basisschool het grasveld op in poging daar te ontkomen. Echter aan het einde van het grasveld bevindt zich een sloot. Door de overvloedige regenval rijdt de verdachte zich muurvast, springt uit zijn auto en rent richting de sloot. Hij springt in de sloot en kruipt er aan de andere kant weer uit.

Ik ben woedend, smijt mijn helm van mijn hoofd, gooi deze op grasveld en ren richting de sloot. Ik neem een aanloop en spring over de sloot heen. Ik zie nog net dat de verdachte de begraafplaats op rent en achter de grafzerken verdwijnt. Echter de begraafplaats is omheind met een groot hekwerk, dus ik ruik mijn kans. Eerst pak ik mijn portofoon en praat de meldkamer, hijgend en hakkelend, bij over waar ik mij bevind. Ik moet geduld hebben tot de assistentie ter plaatse komt en niet veel later arriveren er twee politieauto’s. Wat ben ik blij om deze te zien! Ik vertel in het kort wat er gebeurd is en vertel dat de dader zich vermoedelijk op de begraafplaats bevindt. Met de collega's lopen we de begraafplaats op en zoeken deze minutieus af. Dan hoor ik een collega roepen dat de verdachte zich achter een grafzerk in de bosschages verstopt heeft en hem ziet. Ik ren naar de plek toe waar de collega staat. Ik zie de verdachte liggen en duik met een snoekduik boven op hem. De verdachte gilt naar de collega’s dat hij doodgemaakt wordt door me. Gelukkig legt de collega een hand op mijn schouder en zegt kalm : “Laat ons maar!”. Ik sta op en de collega’s boeien de verdachte. Ik besluit wijselijk om weg te lopen en laat de collega’s hun werk doen. Ik wil de verdachte niet meer zien.

Ik loop naar de sloot toe en wil eigenlijk weer over de sloot springen en teruggaan naar de resten van mijn politiemotor. Dan pas kom ik tot de ontdekking dat de sloot wel erg breed is en vraag me af hoe ik daar ooit over heen gesprongen kan zijn. Erover heen terugspringen gaat me dit keer zeker niet lukken dus loop ik een paar straten om, tijd om af te koelen.

Bij mijn motor gekomen zie ik dat het eigenlijk niet meer dan een wrak is. Ik spreek nog kort met geschrokken buurtbewoners, maar kan me later niet meer herinneren wat ik eigenlijk gezegd heb of wat ze met me besproken hebben. De collega's van de Verkeers Ongevallen Analyse (VOA) komen ter plaatse om de situatie op de gevoelige plaat vast te leggen.
Ik word opgehaald door de collega’s en word naar een politiebureau gebracht.
Na de nodige administratie hang ik mijn bezweten motorkleding in de kast en vertrek naar huis. Ik slaap die nacht heel weinig.
De volgende dag krijg ik een terugbelverzoek van de leiding van de school om te komen praten. Het blijkt dat het incident, waarbij ik van mijn motor ben gereden en in de lucht geschoten heb, als een bom is ingeslagen bij een aantal kinderen en leerkrachten. Sommige kinderen hebben die nacht gedroomd dat die politieagent door de auto is overreden en nu dood is. Ik realiseer me dat ik niet het enige slachtoffer ben van het incident. De leerkrachten/hulpouders hebben gezien dat ik mijn vuurwapen gericht heb op de verdachte en denken dat ik daadwerkelijk gericht heb geschoten. Ze vragen zich af waar de kogel gebleven is en of ze geraakt hadden kunnen worden door de kogel. Omdat alles op afstand gebeurd is, heb ik hier niet over nagedacht. Op school heb ik de betrokken leerkrachten/ouders en de kinderen uitgelegd dat ik gelukkig ongedeerd ben en dat hun leven geen moment in gevaar is geweest. Het was een heel fijn en verhelderend gesprek.

De verdachte is veroordeeld voor inbraak, poging doodslag, rijden zonder rijbewijs en de schade aan de politiemotor die total loss was.