Copyright

Copyright P.Kats. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet gekopieerd worden en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel.

maandag 10 april 2017

Kom dan!

Foto is fictief persoon
Het is bijzonder hoe mensen kunnen veranderen als ze in een auto zitten. Maar ook als ze uitgestapt zijn…

Na een avonddienst rijd ik met drie collega’s terug richting het zuiden.
Vergeleken bij John, Corné en Erik ben ik maar een tenger mannetje. Mijn auto is eigenlijk te klein, omdat die drie bijna met hun hoofd tegen het dak van mijn auto aan zitten.

Onderweg naar de carpoolplaats rijd ik op mijn gemak op de snelweg met een gangetje van ongeveer 100 kilometer per uur. We zitten gezellig te kletsen, als er plotseling achter mij een auto hevig zit te seinen met zijn grote lichten.  Ik ben op dat moment drie vrachtwagens aan het inhalen en echt gevaar dreigt er op dit moment niet. De auto achter mij slingert van links naar rechts en zit zo kort achter me dat ik zijn koplampen niet eens meer in mijn spiegels zie.

Als ik de vrachtwagens ingehaald heb ga ik keurig weer naar rechts en de auto haalt mij in. Ik kijk hem aan en haal mijn schouders op. Ik zie dat hij zijn middelvinger naar me opsteekt. Hij snijdt mij vervolgens met zijn auto af, waardoor ik automatisch mijn stuur naar rechts gooi om een aanrijding te voorkomen. Ik wil de vrachtwagens niet in gevaar brengen, dus stuur de vluchtstrook op en laat deze voorbij gaan. We mogen nog van geluk spreken dat de vrachtwagenchauffeurs alert zijn. Tot mijn verbazing rijdt de bestuurder ook voor mij de vluchtstrook op en trapt keihard op de rem, waardoor ik genoodzaakt ben om hevig te remmen.

Mijn bloed kookt en dat van mijn collega’s ook. Wij zullen eens een stevig gesprek aangaan.
Dan zwaait het portier van de auto voor me open en stapt een jongeman uit, kennelijk klaar om met mij op de vuist te gaan. Snel stap ik ook uit. Met gebalde vuisten loopt hij op me af. Hij blijft vlak voor mij staan en roept: “Kom dan!” Zonder zelf ook een dreigende houding aan te nemen kijk ik de jongeman, zonder een woord te zeggen, indringend aan. Zijn blik is in eerste instantie op mij gericht, tot hij nog drie mannen ziet uitstappen. Het is donker, maar ik zie hem schrikken en aarzelen. Dan sprint hij terug naar zijn auto en rijdt met piepende banden weg. We gieren het uit van de lach, stappen weer in de auto en rijden naar de carpoolplaats.

Thuisgekomen zoek ik in de politiesystemen naar een telefoonnummer van de eigenaar van het kenteken en bel deze op. Ik krijg de jongeman zelf aan de lijn, confronteer hem met zijn idiote gedrag en vertel hem dat er vier politiemannen voor zijn neus stonden. Hij verklaart doodsbang te zijn geweest toen hij, naast mij, drie grote mannen zag opdoemen. Hij voorzag helemaal in elkaar geslagen te worden door deze ‘beulen’ en koos daarom maar het hazenpad. Zijn zinloze en dwaze gedrag ziet hij ook wel in en hoorbaar opgelucht accepteert hij volgens zijn zeggen met liefde de bekeuring voor onnodig rijden op de vluchtstrook.

Als tip kan ik meegeven dat het in zulke situaties verstandig is om je deuren op slot te doen en 112 te bellen. Indien mogelijk een stuk achteruit te rijden of vol gas eromheen rijden en duidelijk laten zien dat je telefoneert. Ja, in noodgevallen mag dit zeker!

volgende blog 01/05


maandag 20 maart 2017

Lentekolder

Het zijn net kippen zonder kop. De lente is begonnen en ze hebben nergens erg in. Ze vliegen en rennen heen en weer en staan op de vreemdste plekken. Ik heb het over de dieren. Overal onderweg zie je ze liggen, aan of platgereden door auto’s.








“Ik rem voor dieren” vermeldt een sticker op een auto. Maar soms kan dit remmen als gevolg hebben dat je ergens in een sloot belandt of een kettingbotsing veroorzaakt.
Ik rem zoveel mogelijk voor dieren, want ook ik wil ze niet onnodig doodrijden. Maar soms gaat het gewoon niet.

Al diverse keren heb ik een dier doodgereden. Wat heb ik er elke keer een hekel aan. Enkele bijzondere momenten zijn me altijd bijgebleven.
Als ik met de motor op een provinciale weg rijd, komt er plotseling vanuit de berm een fazant. Het dier steekt over. Met geen mogelijkheid kan ik hem ontwijken. Doordat het arme beest nog opvliegt ook, spat hij op de kuip tegen de onderkant van mijn windscherm uiteen. Wat ben ik blij dat ik mijn windscherm in de hoogste stand heb staan, zodat ik hem niet tegen mijn helm krijg. 

Ik zit van top tot teen onder de inhoud van het beest. Mijn motorkleding is veranderd in de kleur rood. Ik weet dat een fazant bloed in zijn lijf heeft, maar dat het zoveel was, wist ik niet. Voor zover het gaat pulk ik de resten van het beest van de kuip en mijn motorkleding af. Ik zie er uit als een monster die zojuist een beest helemaal aan flenters heeft geslagen. Met een eigenaardige parfum rond me heen rijd ik terug naar het bureau en vraag ik iets opmerkelijks aan de collega van de wasstraat. Of hij mij eerst even met de hogedrukreiniger wil schoonspuiten. Ik zet mezelf schrap en onderga gewillig een douchebeurt.

Druipend wandel ik de kleedkamer binnen, hang mijn kleding in de droogkamer en trek een schoon uniform aan. Inmiddels zijn de resten ook van mijn motor gespoten en stap ik weer op .

Ik heb me altijd afgevraagd of een reiger tijdens het vliegen kan omkijken. Nou, daar ben ik achter gekomen….  Met de motor rij ik een kleine lage tunnel in. Tot mijn verbazing zie ik hierin een reiger staan. Wat doet dat stomme beest hier nou midden in een tunnel? Collega Theo, die achter me rijdt, is van het hele gebeuren getuige. Het beest vliegt op en ik rem uit alle macht om hem niet aan te rijden. Klapwiekend weet de reiger op te stijgen en vliegt voor me uit. Nieuwsgierig geef ik weer gas en ik ga kort achter de reiger rijden. 

Dan doet hij iets waardoor Theo en ik ontzettend moeten lachen. Tijdens het vliegen draait hij zijn lange nek en kijkt achterom. Het lijkt wel of hij wil zeggen dat ik afstand moet houden. Als we bijna bij het einde van de tunnel zijn geeft hij nog gas bij en stijgt bijna verticaal omhoog. Als ik even verderop stop, stopt Theo schaterlachend naast me. Wat een kolder! 

volgende blog 10/04

maandag 27 februari 2017

Beloofd is beloofd

De eerste menselijke reactie is je neus optrekken als je een zwerver tegenkomt. Op zich niet vreemd natuurlijk, want het zijn vaak niet de meest aantrekkelijke personen in de zin van kleding en geur.

Nu is het in Nederland niet altijd nodig om een zwervend bestaan te leiden, want er zijn gelukkig nog mogelijkheden om onderdak te krijgen. 



Natuurlijk is het geen vetpot, maar je hoeft niet per se uit de vuilnisbakken te graaien om in leven te blijven.
Velen kiezen er echter toch voor om over straat te zwerven. Waarom?

Alles heeft een oorzaak. Deze mensen zijn vaak vernederd, gekwetst of hebben trauma’s opgelopen, waardoor ze niet normaal meer kunnen functioneren in de maatschappij zonder, al dan niet gedwongen, geholpen te worden.
Als ik met hen in gesprek ga, hoor ik dikwijls schrijnende dingen uit zijn of haar leven. Ze vertrouwen niemand meer in hun omgeving, behalve zichzelf.

Als ik in de omgeving van het bureau rijd, passeer ik een zwerver die een winkelwagentje voortduwt, vol met spullen. Je kunt het gerust rommel noemen.
Als ik hem voorbij rijd, rollen mijn ogen er haast uit als mijn blik op zijn voeten valt.
Ik draai mijn motor en rijd terug.
Tot mijn verbazing zie ik dat ik het goed gezien heb. De beide neuzen van zijn gymschoenen zijn eraf en uit de neuzen steken nu de tenen van de man naar buiten.

Op mijn vraag of hij geen andere schoenen kan krijgen, vertelt hij dat hij maat 47 heeft en dat die heel moeilijk te krijgen is. Deze schoenen waren maat 45, dus heeft hij de neuzen er maar afgeknipt, zodat hij toch schoeisel aan zijn voeten heeft.
Met een droevig gezicht kijkt hij mij aan, ik heb echt medelijden met hem.
Ik krijg een idee en vertel hem dat hij zich over drie dagen ’s middags moet melden aan de balie van het bureau. Dan heb ik dienst en zorg ik dat er nieuwe schoenen voor hem klaar staan. Lachend vertel ik hem dat hij wel zijn lange nagels moet knippen, omdat hij anders maat 48 nodig heeft. Ik geef hem mijn kaartje, maar zie aan zijn gezicht dat hij mij niet gelooft.

Met hulp van de kledingwinkel van de Politie en diverse collega’s kom ik uiteindelijk in het bezit van vier paar schoenen in maat 47, nette schoenen en sportschoenen. Ook regel ik 10 paar nieuwe sokken elders.

Grijnzend leg ik de spullen bij de balie. Ik hoop dat hij wel komt.
Een paar dagen later is het zover. Hij staat aan de balie, met geknipte nagels.
Apetrots trekt hij de nieuwe sportschoenen aan. Zijn gezicht spreekt boekdelen. Hij kijkt dankbaar en gelukkig.

En als ik geen schoenen had kunnen krijgen? Dan had ik ze zelf gekocht. Beloofd is beloofd.

volgende blog 20/3




maandag 6 februari 2017

Roerig ontbijtje

Een zaterdag ochtenddienst, rustig de tijd om eens een keer een ontbijtje te halen bij de Mac. Debbie en ik kiezen een mooi parkeerplekje uit met uitzicht op de Maas. De koffie wordt op het dashboard gezet en de MC egg wordt uitgepakt.




Debbie grapt nog dat we nu niet met spoed weg moeten rijden, want anders zit het hele dashboard onder de smurrie.

Dan verzoekt de meldkamer ons met spoed naar de X-straat te gaan, waar zojuist iemand is neergeschoten. Ik bedenk me geen moment, pak m’n koffiebeker, doe het raam open en giet deze leeg. De beker smijt ik op de vloer. Ik start de motor van de politiebus en scheur weg.
Debbie weigert ondertussen haar koffie weg te gooien en probeert al balancerend tijdens mijn wilde rit nog wat koffie te drinken. Ik zie elke keer op het dashboard twee uit elkaar gevallen MC eggs voorbij komen.

Ondertussen horen we van de meldkamer dat een man voor een woning in een flat is neergeschoten en dat de verdachte de woning is binnengegaan. Een signalement ontbreekt, omdat de meldster helemaal in paniek is.

Aangekomen zien we dat het een flat is met een gesloten binnentuin met een glazen dak, een atrium.
Ik trek mijn pistool en richt dit vanaf de binnenplaats op de geopende deur van de woning. Debbie roept met luide stem: “Politie, laat je handen zien, kom naar buiten, bij elke verdachte beweging wordt geschoten!” Het blijft stil. We moeten verder en behoedzaam lopen we de trap op. Op de galerij ligt een man met ontbloot bovenlijf, roerloos. Naast hem ligt een pistool. De meldster op de 3e etage roept dat het slachtoffer op de galerij ligt en er een vrouw in de woning zit die de mogelijke dader is.

Voorzichtig benader ik de woning en richt mijn pistool in de gang. In de gang zit een vrouw op de grond. Ik schreeuw dat ze op haar buik moet gaan liggen en haar handen op haar hoofd moet doen. Ze doet precies wat ik zeg en Debbie slaat haar in de boeien. Omdat we niet zeker weten of de woning leeg is, houd ik mijn pistool gericht en doe de deur van de woonkamer open. Dan opeens springt er een hondje de kamer uit. Ik schrik en geef het hondje in een flits een trap, waardoor deze jankend terug de kamer invliegt en achter de bank kruipt. De woning is verder leeg en ik berg mijn pistool.

We starten de reanimatie van het slachtoffer, die later wordt overgenomen door de ambulance en het Mobiel Medisch Team. De verdachte wordt door de collega’s afgevoerd. Debbie knuffelt eerst met het geschrokken hondje. Wat heb ik een spijt van mijn trap, maar ben wel blij dat ik niet onmiddellijk schoot uit reactie.
We lopen terug naar onze bus. In de bus hangt een behoorlijke stank en liggen er een paar dingen die ooit een ei moesten voorstellen.

Op weg naar bureau trakteren we ons maar op een patatje. Het is tenslotte al middag geworden.

volgende blog 27/02



maandag 16 januari 2017

Prakje Andijvie

We krijgen de opdracht om met onze aanhoudingseenheid een vuurwapengevaarlijke verdachte aan te houden. De verdachte van diverse overvallen woont in een wijk met veel criminelen. Als politie is het moeilijk om ongezien in de wijk te infiltreren.






Na raadpleging van de politiesystemen blijkt dat er dichtbij een ouder echtpaar woont, dat al meerdere keren geklaagd heeft over overlast van deze criminelen. Ze hangen altijd op straat en praten niet met elkaar, maar schreeuwen. Ook komen er dagelijks scooters aan, die in de garageboxen verdwijnen en er in onderdelen weer uitkomen.

Ik bel het oudere echtpaar en vraag of ik bij hen in huis mag posten. Dat is geen probleem.
Tijdens de briefing horen we dat de verdachte zich verplaatst op een snelle scooter en vermoedelijk op de eerste etage van de hoek van een flat woont. Daar is vanuit de woning van het echtpaar perfect zicht op. De bedoeling is een snelle interventie op straat, waarbij de verdachte met kop en kont opgepakt wordt, om vervolgens weg te wezen voordat de grote groep op straat zich met de aanhouding gaat bemoeien.

Ik maak me klaar, gewapend met allerlei attributen die me het makkelijk maken om de boel te observeren. Het belangrijkste vergeet ik, mijn etenswaren.
Via de achtertuin, uit het zicht, sluip ik bij de woning naar binnen. Ik word als een vorst onthaald en nergens ontbreekt het aan. Ik ben mijnheer Kats en geen Piet, zoals ze naar eigen zeggen een politieagent horen aan te spreken. 

Uren zit ik in de slaapkamer totdat ik plotseling een bekend hoofd zie verschijnen voor het raam. Onze verdachte! Ik geef onze eenheid door dat hij thuis is. We moeten geduld hebben tot hij naar buiten komt. Via de telefoontap horen de collega’s dat hij op het punt staat om te vertrekken. Onze eenheid maakt zich klaar en wacht met een geblindeerde bus op de hoek van de straat.

Dan gaat het snel. Ik zie de verdachte in het trappenhuis naar beneden lopen. Kort daarna komt hij met de scooter naar buiten en staat nog even te praten met een grote groep die buiten staat. Ik geef het sein om op te rijden en geef de positie door waar de verdachte staat.
Onze bus met daarin de collega’s van de aanhoudingseenheid komt de straat ingereden en stopt bij de groep. Twee schuifdeuren vliegen open en 6 collega’s trekken de verdachte uit de groep en sleuren hem de bus in. Binnen een paar seconden ligt de verdachte op zijn buik in de bus en scheurt deze weg.

Als aan de grond genageld kijkt de groep de bus na. Er is te weinig tijd voor reactie, dat is de kracht van zo’n interventie.
Ik slaak een juichkreet en moet lachen als twee verschrikte gezichten om het hoekje heen kijken. Ik verontschuldig me en vertel dat onze man gepakt is.
Ik moet nog even in het huis blijven, omdat er de nodige beroering is op straat.

En de lieve mensjes staan erop dat ik nog even mee eet. En wat schaft de pot? Ouderwets een prakje andijvie met een slavink. Het smaakt heerlijk!


Volgende blog 06/02



maandag 26 december 2016

Eén melding



Een nachtdienst draaien samen met de (toenmalige) directeur van de Politie Rotterdam-Rijnmond levert wel eens voordelen op. En dan bedoel ik niet een wit voetje halen.

Na vijf minuten, als chef Martine en ik op straat zijn, krijgen we een melding van een schietpartij, waarbij een man beschoten en geraakt is. We trekken onze zware vesten aan. Als we op de plaats van het incident aankomen zien we eigenlijk niets, tot we zijn uitgestapt. We horen een man schreeuwen. Hij is kennelijk een telefoongesprek aan het voeren. Martine herkent de taal die hij spreekt als Papiaments.

Als we hem aanspreken blijft hij telefoneren met een decibelwaarde tegen de pijngrens aan. We krijgen er geen speld tussen. We hebben het idee dat we hier met het slachtoffer te maken hebben, maar zien geen bloed of ernstige verwondingen.

Omdat hij door blijft ratelen pak ik zijn arm beet, trek de telefoon van zijn hoofd af en vraag op luide toon of hij degene is die gebeld heeft en waar het slachtoffer is. Hij reageert boos en schreeuwt dat hij het slachtoffer is die beschoten is. Verbaasd vraag ik waar dan de kogel of kogels hem geraakt hebben. Dan wijst hij naar zijn hoofd en schreeuwt: “Hier, kijk dan hier!” 

Martine schijnt met haar zaklamp op het hoofd van het slachtoffer en tot onze grote verbazing zien we twee gaatjes zitten in het hoofd van het slachtoffer waar ook bloed uitkomt, een zogenaamd in- en uitschot achter zijn linkeroor. De kogel is aan de achterkant half door de schedel en half door het oor gegaan en aan de voorkant er weer uitgekomen. Doordat het donker is, de donkere huidskleur van het slachtoffer en doordat hij met zijn telefoon tegen het gewonde oor aanzat hebben we dit helemaal niet gezien.

Nu zien we ook pas dat zijn telefoon, zijn linkerhand en zijn nek helemaal onder het bloed zitten. En toch gewoon bellen op de manier zoals je het altijd doet, achteraf hebben we hier ontzettend om moeten lachen.
We vragen om meer politie ter plaatse en overleggen samen. En hier zie je gelijk het verschil en de voordelen om eens met elkaar de straat op te gaan. Ik neem de eerste maatregelen die nodig zijn voor een ‘plaats delict’ te vormen en Martine schaalt gelijk hoger in. Ze wil eerst zeker weten dat de omgeving veilig is en bestelt gelijk het arrestatieteam, omdat de verdachte mogelijk nog in een woning zit volgens het slachtoffer. 

Grinnikend zegt ze tegen me dat ze hier geen chef voor nodig heeft, want de toestemminggever “is ze zelf”. Alles wordt even ‘kort en zakelijk’ geregeld. Uiteindelijk blijkt de verdachte gevlucht te zijn. Het slachtoffer houdt verder niets aan de verwondingen over en de verdachte wordt later alsnog gepakt.

Als we klaar zijn is het 07:00 uur; na één melding einde dienst. Totaal nog geen zes kilometer gereden.


Volgende blog 16/01/17


maandag 5 december 2016

Foutje, bedankt!

Plotseling worden we geconfronteerd met een zwaar bebloede verdachte. 
Binnen een seconde moet ik handelen. 

Ik spuit de verdachte pepperspray in zijn gezicht, waardoor deze in elkaar zakt.




Johan van Team Verkeer Den Haag loopt een dienst met mij mee in het Rotterdamse. Aangestoken door mijn vele verhalen, wil hij zelf wel eens een kijkje nemen in Rotterdam-Zuid. Wat normaal zelden gebeurt, gebeurt deze avonddienst. Er is weinig spectaculairs te beleven. Ik ga me haast excuseren voor het voorbeeldige gedrag van de burgers, tot we een melding krijgen van een ‘gewone’ geluidshinder.
Een vrouw heeft ruzie met een man in een woning en buren hebben gebeld dat ze er last van hebben.

Zodra we uitgestapt zijn, zien we een vrouw beneden bij de portiekdeur hevig wenken. Paniekerig kijkend wijst ze naar de derde etage. Ze zegt dat we snel moeten komen, want anders wordt ze doodgemaakt.
Als we het portiek binnenlopen, horen we angstig gegil van een vrouw. Het lijkt wel of ze vermoord wordt. Ik storm de trap op naar boven, gevolgd door Johan.
Als we van de tweede naar de derde etage lopen, schrik ik. Een krijsende vrouw komt uit de woning op de derde etage, gevolgd door een man die helemaal onder het bloed zit. Johan botst tegen me aan.

In een flits pak ik mijn pepperspray en ik spuit de´verdachte´ in zijn gezicht. Deze zakt in elkaar. Hebbes, denken we. Maar de vrouw gilt: “Niet hem!”. Ze wijst vervolgens naar de deur. Uit de deuropening stormt een andere man, ook helemaal onder het bloed,. Met opgeheven arm en in zijn hand een groot mes, klaar om te steken. De afstand tussen ons is nog geen twee meter. Weer pak ik mijn pepperspray en ik spuit ook deze verdachte in zijn gezicht. Hij blijft echter doorlopen. Bliksemsnel trek ik mijn pistool en schreeuw: “Politie, laat dat mes vallen of ik schiet je neer!” Eerlijk gezegd had het niet veel gescheeld of ik had daadwerkelijk geschoten. Johan en ik konden geen kant uit in de krappe ruimte.

De verdachte schrikt en trekt zich terug. Met getrokken pistool loop ik de woning binnen. Johan geeft mij rugdekking. In de kamer treffen we de verdachte al snotterend en kwijlend aan. De pepperspray heeft toch zijn werk gedaan. We kunnen hem zonder verder geweld aanhouden.

De andere gepepperde ‘verdachte’ blijkt een onderbuurman te zijn, die de vrouw te hulp is geschoten. Hij blijkt in zijn hoofd te zijn gestoken door de man met het mes en kreeg ook nog een lading pepperspray van mij toegediend. De arme man wordt door de collega’s van de ambulance en het Mobiel Medisch Team van de traumaheli behandeld. Ik bied hem mijn excuus  aan, maar hij zegt dat hij maar wat blij is dat wij er waren. De pepperspray nam hij dan maar voor lief. Het werd uiteindelijk een latertje.

volgende blog 26/12


maandag 14 november 2016

Eén van ons





Mijn 100e blog draag ik op aan politieman Louis Cornelissen, helaas te vroeg overleden op 35-jarige leeftijd. Maar ook aan alle hulpverleners en militairen die een maatje verloren hebben.






Eigenlijk zijn wij gestoord, zoals een buurtbewoner ons omschreef toen de trauma-arts iemand opensneed, zijn hart vastpakte en zo ging reanimeren. Wij, de politie, brandweer en ambulance-medewerkers gingen vervolgens ‘gewoon’ door met onze werkzaamheden om alles in gereedheid te brengen.

Gestoord ja, als je als politieagent een levensgevaarlijke crimineel probeert aan te houden en daarbij soms zelf ernstig gevaar loopt. Als je als brandweerman/vrouw een brandend pand binnengaat om iemand te redden, terwijl je zelf het risico loopt om het pand niet levend meer uit te komen. Ambulancemedewerkers die dagelijks geconfronteerd worden met ernstig gewonde slachtoffers en handelen naar hun beste kunnen. Verpleegkundigen, artsen die in de ziekenhuizen soms tegen beter weten in nog een mens proberen te redden. De reddingsdiensten, zoals de KNRM, USAR en reddingsbrigades die in soms moeilijke omstandigheden mensen proberen te redden. Militairen die tijdens een missie in het nauw gedreven worden, moeten vechten voor hun leven en verliezen lijden.

We hebben allemaal één ding gemeen, een sterke onderlinge band en grote saamhorigheid. Die band is ongekend groot, zeker als het erop aankomt. We hebben er voor gekozen, laat dat duidelijk zijn. Je weet dat het fout kan aflopen.

Het verlies van een collega heeft een grote impact op hulpverleners en militairen. Hiermee bagatelliseer ik niet de impact in het bedrijfsleven, waarin ikzelf ook de eerste jaren na mijn school gewerkt heb. Maar dit wereldje is toch heel anders. Je kent vaak je collega’s beter dan je eigen partner. Je hebt samen momenten dat je met elkaar lacht, samen vecht, samen huilt, maar je hebt ook samen soms diepgaande gesprekken. En hoewel we allemaal verschillend zijn, zijn we op sommige momenten één.

We hebben onze handen vol aan de criminaliteit in de wijk achter bureau Zuidplein in het jaar 1998-1999, de Millinxbuurt. De sfeer is uiterst grimmig, zelfs zo erg dat we de opdracht van de leiding krijgen om niet meer alleen deze wijk in te gaan, omdat er signalen zijn dat ze een politieagent ‘koud’ willen maken. Alleen de twee wijkagenten kunnen zich er nog vertonen. En als we er een melding krijgen, gaan we met twee politieauto’s ter plaatse. De politie te paard mogen alleen de wijk in met zware vesten aan.

Er zit één grote man, ik zal hem “Bolle” noemen, achter de bende die de wijk regeert. En Bolle is letterlijk ook heel groot. De rest is bang en doet precies wat hij zegt. Ondanks diverse invallen en inbeslagname van de drugs en het geld, blijft Bolle buiten schot. De stromannen van Bolle worden opgepakt en elke keer gaat Bolle vrijuit. Het plein is steevast bezet door veel bendeleden. Er komt informatie dat diverse zich bewapend hebben en bij een confrontatie op ons zullen gaan schieten.

De sfeer wordt steeds grimmiger. Met spoed worden kogel- en steekwerende vesten besteld om permanent te dragen onder de kleding. We zijn uniek in Nederland binnen de politie, want we kennen alleen de zware vesten op dat moment.
Als bij een melding Bolle zich te buiten gaat aan onze ploegmaatjes, Erik en Louis, is de maat vol. Het wordt spoedassistentie en het hele bureau spoed zich naar buiten. We hebben tekort aan auto’s. Ik heb nog nooit zes man in een Volkswagen Polo zien zitten, maar toen wel. Ik zat namelijk zelf in de kofferbak.

Met groot machtsvertoon hebben we het hele plein leeggeslagen. Bolle verzet zich tot het uiterste, want wil niet gearresteerd worden. Jammer genoeg kenden we toen nog niet de pepperspray dus moeten aan de bak. Met Bolle trekken we ons terug en gaan naar het bureau Zuidplein. Collega’s moeten naar het ziekenhuis met diverse snijwonden, gebroken hand, gebroken neus enzovoort.
En dan heb ik het nog niet over de emotionele schade.
Bolle wordt na een week vrijgelaten en alles begint weer van voor af aan.
Veel collega’s zitten er mentaal flink doorheen. Het heeft een behoorlijke impact op de werkvreugde.

Het is gewoon lekker om eens een paar dagen thuis te zijn en niks te doen.
Op zo’n dag zie ik thuiszittend op de bank opeens een burgerauto van ons bureau de straat inrijden. Deze stopt voor mijn huis en twee collega’s in burger gekleed stappen uit.
Het zijn Henk en Peter, mijn ploegbrigadiers. Ik frons mijn wenkbrauwen en vraag me af wat die komen doen.
Als ze aankomen bij de voordeur, zwaai ik deze open en verwelkom ze lachend. Gezellig, ze komen even een bakkie doen.
Maar hun gezichten staan ernstig en ik begrijp gelijk dat ze niet gezellig een bakkie komen doen.

Ze hebben zeer slecht nieuws. Louis is met zijn motor onder een vrachtwagen terechtgekomen en is overleden. Het is alsof een mes in je ziel snijdt. Eén van ons is er niet meer.
Alles voor de begrafenis wordt in gereedheid gebracht die week. Louis krijgt een koninklijke begrafenis met twee van zijn lievelingsmotoren. Twee Harley’s, in Amerikaanse politie-uitvoering voorop begeleiden de rouwauto. Daarachter een zee van blauw. Ruim 150 politiemensen in uniform lopen na de kerkdienst achter de rouwauto aan. Het is een emotionele plechtigheid. Als ploegleden hebben we Louis op de schouders gedragen naar zijn laatste rustplaats. Ik mag namens de vrouw van Louis nog een dankwoord uitspreken aan het graf. Na afloop gaan we in het centrum bij een café op het terras nog even wat drinken en napraten.

Achter de bar zit een man die behoorlijk aangeschoten is. Ik zit het dichtst bij hem en hoor hem over de politie praten. Naast mij zit John, een beer van een collega, waar je niet mee moet spotten.
Dan hoor ik de man zeggen: “Zo, hebben ze een feestje gehad?” Ik hoor vervolgens de barman zeggen dat er een politieagent is overleden. De man reageert en zegt: “Dat is er gelukkig weer eentje minder”. John zijn ogen vlammen en vraagt aan mij of hij dit wel goed hoorde wat de man zei.
Aan het verschrikte gezicht van de barman zie ik dat deze de bui al ziet hangen. Na John op zijn stoel terug gedrukt te hebben, ga ik samen met een collega naar de man toe en verzoeken hem dringend om afscheid te nemen van zijn bier. De barman is het roerend met ons eens en vloekend verlaat de man het café en verdwijnt. En dat was voor dat moment het beste ook, want je praat niet zo over één van ons.

De Millinxbuurt wordt op een opmerkelijke wijze geschoond. Een grote verhuisvrachtwagen, bestuurd door twee collega’s van het IBT komt de Millinxbuurt binnengereden. Onder toeziend oog van de nietsvermoedende nieuwsgierige raddraaiers gaat de laadklep open. Het lijkt of de vrachtwagen barstensvol staat met verhuisdozen. Maar schijn bedriegt. Achter één laagje lege verhuisdozen staan dertig collega’s in vol ornaat. Als de laadklep halverwege staat roept de IBT docent “Hij blijft hangen!”. De dozen vliegen alle kanten eruit en de collega’s stormen eruit. Op het zelfde moment grendelen de Mobiele Eenheid en politie te paard de wijk compleet af.
Werkelijk alle bewoners die zich op het plein en in de woningen bevinden worden opgepakt. Bussen worden ingezet om ze allemaal te vervoeren. De woningen worden direct allemaal leeg gehaald en op last van de burgemeester gesloten.

Het is genoeg geweest. Bolle en zijn handlangers worden voorlopig achter slot en grendel gezet en mogen niet meer terugkeren in de Millinxbuurt. De halve Millinxbuurt wordt gesloopt en de rest gerenoveerd. Het heeft geholpen, momenteel is het een keurige wijk. Niets doet meer herinneren aan die nare tijd.

Louis heeft het jammer genoeg niet meer mee kunnen maken.

Hij blijft één van ons, voor altijd.



Volgende blog 5/12

maandag 24 oktober 2016

Boemerang

Je moet gebruik maken van de middelen die je als politieagent hebt, namelijk je wapenstok, pepperspray, pistool en handboeien. Je zou het hiermee moeten kunnen redden, toch?

In de praktijk is het ene middel echter niet voldoende en het andere middel te zwaar om in te zetten. Maar er wordt wel verwacht dat de politie ingrijpt om erger te voorkomen.











We krijgen een melding van een verdachte die het interieur van een pizzeria sloopt. Het personeel van de pizzeria is gevlucht en heeft zichzelf opgesloten in een ruimte.Als we met meerdere politieauto’s ter plaatse komen, zien we een man met ontbloot bovenlijf in de zaak staan. Hij is door het dolle heen en gooit tafels en stoelen naar buiten.

Er staat die dag een stormachtige wind, waardoor communicatie op veilige afstand met de verdachte bemoeilijkt wordt. Als hij ons ziet pakt hij een groot mes en gaat in de deuropening staan, maar doet verder niets.Pepperspray is vanwege de harde wind absoluut geen optie, want de pepperspray zal recht in onze gezichten terugkomen. Enkele collega’s trekken hun pistool en richten het op de verdachte. Die is daar helemaal niet van onder de indruk en roept: “Schiet dan!” Er valt niet met hem te praten, hij blijft voor de pizzeria staan. We vragen om een politiehond ter plaatse, maar dat kan nog wel even duren, omdat de collega van de hondenbrigade van ver moet komen.

De verdachte gaat weer naar binnen en weer vliegen meubelstukken en attributen de zaak uit. De middelen die we hebben gaan dus niet werken. Het gebruikte geweld moet namelijk altijd in verhouding staan tot de situatie en het misdrijf. Dit wordt ook wel 'proportioneel en subsidiair' genoemd.


Nu ben ik altijd wel iemand die in dit soort situaties op zoek gaat naar voorwerpen die ik naar de verdachte kan gooien. Dat werkt altijd uitstekend. Als je namelijk een bloempot of stoel naar iemand gooit, is de eerste menselijke reactie het afweren met de armen, om het gezicht of lichaam te beschermen. Gevolg: het mes wordt losgelaten.

Mijn oog valt op een reclamebord van de pizzeria, dat op een sokkel vrolijk staat te draaien in de wind. Ik trek het bord uit de sokkel, kies een mooie positie om de hoek en wacht af tot de verdachte weer naar buiten komt. In mijn ooghoek zie ik een paar collega’s naar me kijken. Ze begrijpen wat ik van plan ben en ietwat met een grijns op mijn gezicht wacht ik af.


Dan komt de verdachte naar buiten en richt zich weer tot de collega’s die op afstand staan. Ik neem een aanloop en gooi het pizzabord als een boemerang naar hem toe. Ik zie zijn verschrikte gezicht, als hij vanuit zijn ooghoek iets ziet komen aanvliegen. Hij is te laat, het bord treft hem voluit op zijn lichaam, waardoor hij ongenadig hard ten val komt. Helaas stopt het pizzabord niet bij de verdachte, maar gaat dwars door de ruit van de pizzeria heen. De collega’s bespringen de verdachte en boeien hem. Een collega merkt droogjes op dat ik door mijn actie de toch al grote puinhoop in de pizzeria nog groter gemaakt heb.


Tja, toch beter dan de verdachte neerschieten.

Volgende blog 14/11 (de 100e)







maandag 3 oktober 2016

Bazen

Sommige werkgevers chanteren hun personeel door klussen te laten doen die risicovol zijn. Zolang het goed gaat ben je de beste, maar als het fout gaat?








Jan werkt al geruime tijd bij een bouwbedrijf. De baas van Jan neemt het niet zo nauw met de regels en stuurt hem op de pad met niet vastgezette of losse lading of zonder de benodigde papieren. Jan wordt regelmatig bekeurd, maar heeft geen keus. De bekeuringen worden overigens wel door zijn baas betaald.

Regelmatig rijdt Jan ook met een grote aanhanger achter zijn bedrijfswagen, waarvoor echter een rijbewijs E achter het rijbewijs B nodig is. Hij heeft al enkele keren aangegeven dat hij zo niet mag rijden en graag zijn rijbewijs E wil halen, maar zijn baas wuift dit weg en zegt dat hij niet moet zeuren en gewoon moet rijden. Het risico dat je gepakt wordt is toch klein.

Met de dag groeit het verlangen van Jan om ander werk te zoeken. Hij heeft echter een koophuis en een gezin en kan niet zomaar weg bij zijn huidige baas.
Op een dag krijgt hij de opdracht om een lading stellingpijpen op de aanhanger te vervoeren. Hij heeft echter zijn bedenkingen over het totaalgewicht tijdens het aankoppelen van de aanhanger, want hij moet hiermee door twee tunnels rijden.

Hij loopt naar het kantoor van zijn baas en maakt dit kenbaar. Het resultaat is een grote mond van die bullebak en een tirade dat hij beter kan ophoepelen als hij zo door blijft zeuren. Het is jammer dat Jan niet honderd meter na de poort de politie belt met het verzoek om gecontroleerd te worden. Hij gaat op weg naar zijn bestemming.

In de eerste tunnel gaat het al mis. Door het zware gewicht begint de aanhanger te slingeren, schaart, botst tegen een spiksplinternieuwe auto aan die naast hem rijdt en boort zich in de tunnelwand. De nieuwe auto belandt op zijn kop in de tunnel en de bestuurder komt met de schrik vrij. Hij heeft welgeteld twee uur van zijn auto kunnen genieten. Jan komt ook met de schrik vrij, maar de schade is enorm. Enkele beschermingsplaten van de tunnelwand zijn vernield door stellingpijpen die door de lucht gevlogen zijn. De auto en de aanhanger zijn total loss.

De ellende begint voor Jan.
Hij wordt aansprakelijk gesteld voor alle schade, omdat hij zonder rijbewijs met deze te zware combinatie reed. En zijn baas? Die ontkent Jan opdracht gegeven te hebben voor deze rit en ontslaat hem. Jan draait voor alle kosten op, zo’n 60.000 euro, en belt huilend op of wij als politie geen proces-verbaal willen opmaken, zodat de verzekering de schade dekt en niet op hem zal verhalen. Ik kan en mag niet anders dan de waarheid op papier zetten.

Het is goed om erover na te denken welke keuze je maakt. Laat je niet verleiden door dit soort “bazen” die alleen een economisch belang bij je hebben. Je blijft te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de keuze die je maakt.


volgende blog 23/10

maandag 12 september 2016

Eventjes…

De kleine ligt lekker te slapen, dus besluit een moeder eventjes snel wat boodschappen te halen op de fiets.









We krijgen een melding van een aanrijding met letsel, waarbij een fietser door een auto is aangereden. We treffen een jonge vrouw aan die een flinke hoofdwond heeft en niet aanspreekbaar is. Het ziet er ernstig uit, de vrouw bloedt uit haar neus en oren. Het is snikheet, de zon brandt en het is zeker 30 graden. Het ambulancepersoneel arriveert en neemt de zorg van ons over.

Maar wie is de vrouw? Ze heeft wat los geld en een bankpasje in haar zak, maar verder totaal niets waar wij uit kunnen opmaken wie ze is. Met spoed gaat ze met de ambulance naar het ziekenhuis.
Als we ongeveer twee uur later klaar zijn op de plek van het ongeluk en alles opgeruimd is, rijden we naar het ziekenhuis. De fiets van de vrouw wordt op het politiebureau geplaatst.
In het ziekenhuis vertelt de verpleegkundige dat ze nog niet weten wie de vrouw is, maar wel dat ze kort geleden bevallen moet zijn. Maar waar is de baby? Ik heb hier geen goed gevoel bij.

Ik bel met de X bank en leg de situatie uit. Via de telefoon worden uiteraard geen gegevens verstrekt, dus rijden we met spoed naar het dichtstbijzijnde bankfiliaal. Gelukkig zijn ze heel meewerkend en krijgen we de personalia van de vrouw. De volgende schrik komt, ze staat op het adres ingeschreven met alleen een baby van een paar weken oud. Gezien het snikhete weer en de tijd die tussen het moment van aanrijding en nu zit, rijden we opnieuw met spoed naar het adres.

Bij bellen of kloppen wordt niet opengedaan, dus een oppas is er kennelijk niet. Een sleutel hebben we niet, dus trappen we de deur in en stormen we de trap op. In een slaapkamer staat een wieg, waarin een klein meisje hard ligt te huilen. Ik til haar op en druk de baby tegen me aan. Het is net of ik mijn eigen kind in de armen sluit. Mijn collega Louis, ook vader, vult een tas met attributen zoals luiers, een fles, melkpoeder en een flessenwarmer. Provisorisch sluiten we de deur weer af.
Met een krijsende baby in een maxi-cosi rijden we naar het bureau. Weer eens wat anders dan een krijsende arrestant.

Op het bureau pakt een vrouwelijke collega meteen de baby uit de maxi-cosi. Ze weet er wel weg mee en gaat lekker zitten kroelen. Wij gaan op zoek naar familie en kunnen als eerste een zus bereiken, die het hummeltje komt ophalen.
Met verhitte hoofden en drijfnatte kleding kijken we elkaar voldaan aan. Onze dienst zit erop. Dat wordt thuis een ijskoud biertje!

Het slachtoffer komt er gelukkig weer helemaal bovenop. De huissleutel bleek achteraf aan de fietssleutel bevestigd te zitten.



Volgende blog 3 oktober


maandag 22 augustus 2016

Niks aan de hand

Hoog energetisch letsel kan desastreus zijn. Dat klinkt heel moeilijk, maar vrij vertaald betekent het dat een ‘eenvoudige’ aanrijding levensgevaarlijk kan zijn. “Oh, niks aan de hand hoor!” wordt mij gezegd als ik ter plaatse kom.





Ik krijg een melding van een aanrijding, waarbij een auto een voetganger op de voetgangersoversteekplaats (zebra) heeft geschept. Het valt mee, volgens de melder.

Als ik ter plaatse ben, zie ik een auto staan waarvan de motorkap is gedeukt en de voorruit verbrijzeld. Ik zet mijn motor neer en vraag direct waar het slachtoffer is. De man die ik aanspreek, wijst naar een forse man die op straat zit en druk aan het praten is met iemand. Onmiddellijk loop ik naar hem toe en vraag hoe het met hem gaat. “Het gaat prima, niks aan de hand hoor” zegt hij. Maar gezien de enorme klap die het geweest moet zijn, vraag ik om een ambulance. Intussen vraag ik de man om zijn gegevens, maar ik verzoek hem met klem om niet teveel bewegingen te maken met zijn nek en lichaam. Als ik de schade bekijk, verwondert het me dat hij er zo springlevend bij zit.
Maar schijn bedriegt, want bij een dergelijke botsing komt heel veel energie vrij die diep in het lichaam kan doordringen.
Voordat de ambulance arriveert, praten we gezellig en ontspannen over van alles en nog wat.

Als de ambulance ter plaatse komt besluit het ambulancepersoneel om hem te ‘planken’. Hij wordt stevig vastgesnoerd, zodat hij geen vin kan verroeren. De man vindt het eigenlijk allemaal niet nodig en sputtert nog een beetje tegen. We tillen hem gezamenlijk op de brancard en zo gaat hij de ambulance in.

Voor de zekerheid laat ik de collega’s van de VOA (verkeersongevallenanalyse) onderzoek doen op de plaats van het ongeval en alle sporen vastleggen. Ik hoor de bestuurder als verdachte. Als ik klaar ben, maak ik op het bureau een eenvoudige mutatie aan in het systeem met de gegevens van het slachtoffer en de bestuurder. Bij de opmerkingen noteer ik dat ik de rest morgen zal klaarmaken.

’s Avonds om 23:00 uur gaat mijn telefoon. Het is de chef van dienst. Hij vertelt dat er weinig informatie van de aanrijding in het systeem staat. Alleen de personalia van de betrokkenen. Verbaasd vraag ik waarom hij mij zo laat daarover belt. De woorden die hij vervolgens zegt, slaan in als een bom. Het slachtoffer is overleden. Ik schreeuw haast door de telefoon: “Wat? Dat kan toch niet!”

Maar toch is het waar. Het slachtoffer is bij aankomst in het ziekenhuis onwel geworden, gereanimeerd en met spoed geopereerd. Hij bleek ernstige inwendige bloedingen te hebben gekregen en overleed ondanks onmiddellijk ingrijpen.

Ik slaap die nacht slecht. Ik kan het maar niet geloven.

maandag 1 augustus 2016

Joehoe

Politieagenten beledigen is aan de orde van de dag. De meningen over wat belediging is, lopen soms uiteen. Maar het woord “kanker” met alle aanvullingen erbij vind ik vreselijk. Soms wens ik de beledigers toe om het eens te ervaren wat die vreselijke ziekte teweeg brengt, door een werkstraf op de afdeling Oncologie van een ziekenhuis.

Tijdens een surveillance, ’s avonds laat in het donker, zien mijn collega Arno en ik een groep jongelui ‘hangen’ onder de overkapping van een laad/losplaats van een supermarkt. Eén van de jongens staat te urineren tegen de muur van de supermarkt. Als we keren, zien we de groep uiteenstuift, maar de urinerende jongeman hebben we te pakken. Deze wordt voorzien van een rijksbeloning. Terwijl we hem staan op te schrijven, staat één van de andere jongens een stuk verderop te schreeuwen, in het bijzijn van zijn vrienden. Hij is het kennelijk niet met de gang van zaken eens. De woorden die hij gebruikt zijn ver beneden peil en zijn duidelijk hoorbaar gericht tegen ons. Het woord “kanker” wordt veelvuldig gebruikt en natuurlijk doet hij dit buiten bereik van ons. Zo’n held is het wel.

Mijn nekharen gaan overeind staan en ik ben vastbesloten om hem te pakken. Ik kan nog net niet de gedachten van Arno lezen, maar aan zijn gezicht te zien denkt hij er hetzelfde over.

Als we klaar zijn met de bekeuring lopen we in de richting van onze belediger.
Deze zet het op een lopen en rent naar de hoek van de supermarkt. Daar staat onze held, achter een muur en om het hoekje kijkend. We verzinnen een list. Ik roep naar Arno dat we een spoedmelding krijgen. We rennen samen naar de politieauto en vertrekken met ‘toeters en bellen’.

Met een omweg parkeren we onze auto aan de andere kant en we lopen behoedzaam het winkelcentrum op. Onze belediger blijkt nog steeds op dezelfde hoek te staan, kennelijk toch niet helemaal zeker van zijn zaak. Hij kijkt steeds om de hoek heen. Nu komen we echter van de andere kant aanlopen. Arno stoot me aan en grijnst van oor tot oor. Ik fluister dat ik hem zal verrassen en sluip naar hem toe.

Als ik vlak bij hem ben, roep ik hard:  “Joehoe, hier zijn we!” Hij schrikt zich rot, is even uit het veld geslagen en zet het dan op een lopen. Na gezellig een stukje meegrend te hebben, vraag ik hem te stoppen. Bij het naar achteren kijken, ziet hij een betonnen paaltje in het wegdek over het hoofd. Hij knalt ertegenaan en smakt op het wegdek. Met geschaafde knieën en armen en een geschaafd gezicht wordt hij door mij geboeid. De grote mond is voorbij. Jammerend zit hij achterin onze politieauto. Ik moet u eerlijk bekennen dat we ons lach niet in konden houden, onderweg naar het bureau. Mijn gevoel voor medelijden en emphatie is ver te zoeken. Op het politiebureau wordt hij nagekeken door de politiearts.

Zoals bij elke minderjarige mogen de ouders hun kind op komen halen op het politiebureau. Nadat het proces-verbaal van belediging klaar is wordt de jongen in vrijheid gesteld. In de hal van het politiebureau ontmoet ik de ouders. In plaats van een boze blik naar hun zoon krijg ik een boze blik. Wat hebben wij gedaan met hun zoon? Diverse keren probeer ik de situatie uit te leggen, maar helaas. Ik wens ze een prettige dag, veel succes en loop weg. Sommigen valt geen eer aan te behalen.

volgende blog 22/08
 

maandag 11 juli 2016

Henk zus, Henk zo

Mijn collega Leo en ik krijgen de vraag of we een vrouw op leeftijd willen assisteren, omdat haar man uit bed gevallen is. We zullen "Henk" na deze avond nooit meer vergeten.




Op de 8e verdieping van een flat wordt door een oude mevrouw van rond de tachtig jaar opengedaan. Vrijwel direct begint ze te ratelen dat Henk uit bed gevallen is en Henk op de grond ligt. Henk kan zelf niet opstaan. Elke zin begint ze met “Henk”, de naam van haar man. Vrijwel geen speld krijgen we ertussen, als we bij de oude man gaan zitten. We proberen erachter te komen of hij zich bezeerd heeft en of hij zich wel lekker voelt. Achter onze rug worden onze vragen herhaald. Henk, de politie vraagt of je je bezeerd hebt. Henk, de politie vraagt of je je wel lekker voelt.

Leo en ik kijken elkaar en schieten in de lach. We tillen Henk op en leggen hem op zijn bed. Maar Henk is opvallend stil. Normaal gesproken zouden we hierna de woning verlaten en Henk met zijn kakelende vrouw achterlaten.
Maar de blik van Henk en zijn grauwe gezicht baren ons zorgen. Als we aan zijn vrouw vragen of Henk bekend is met hartproblemen, wuift ze dit weg en zegt ze dat Henk gewoon een beetje ziek is. Ik pak Henk zijn hand beet en kijk hem aan. Ik kijk in een stel angstige ogen.

We besluiten een ambulance te waarschuwen, zodat er toch even naar hem gekeken naar worden. Dan is het huis te klein. Ze wordt zowaar boos op ons en we mogen absoluut geen ambulance waarschuwen. Wat moeten de buren wel niet denken?
Ik raak geïrriteerd over al die “Henken” en zeg tegen haar dat ze dit keer eens een keer naar ons mag luisteren.

Als de collega’s van de ambulance komen en Henk op de monitor aansluiten, zie ik hun zorgelijke blik. Ze vermoeden dat Henk een flink hartinfarct heeft gehad en besluiten hem met spoed te vervoeren.
We waarschuwen de dochter van de oudjes en brengen de vrouw naar de spoedeisende hulp.

Onderweg terug naar het bureau kijken we elkaar aan en schieten in de lach.
De volgende middag belt Leo, uit belangstelling, even naar de vrouw hoe het met “Henk” verlopen is. De grijns van Leo verdwijnt plotseling en verandert in een serieuze blik. Ik hoor Leo zeggen: “gecondoleerd!”.
Hij blijkt de dochter aan de lijn te hebben die vertelt dat haar vader de afgelopen nacht is overleden. Ze bedankt ons er hartelijk voor dat we de ambulance erbij geroepen hebben; ze heeft haar vader nog kunnen spreken.

Na afloop van dit telefoongesprek maakt de humor plaats voor ernst. Tja, zo kan het helaas ook aflopen.

Volgende blog 1/8



maandag 20 juni 2016

Race tegen de klok

Ik word uitgenodigd door een vereniging van mensen met een verstandelijke beperking om in een dorpje in Zeeland iets te komen vertellen over mijn werk.

Ik ben ruim op tijd en nieuwsgierig rijd ik met mijn motor een rondje door het dorp. Het valt mij op dat de dorpskern letterlijk in ringen rond de kerk gebouwd is.





Plotseling word ik bijna letterlijk omvergereden door twee jongens op een scooter zonder helm en zonder kentekenplaat. Als ik ze wil aanspreken, gaan ze er vandoor. De scooter kan wel eens gestolen zijn, dus ga ik er achter aan. Het wordt een stevige achtervolging door het dorp. Ik zet mijn zwaailicht en sirene aan, met als gevolg dat binnen de kortste keren een groot aantal dorpsbewoners op straat staan. Ik word het zat als ik inmiddels al zeven keer de kerktoren voorbij gereden ben. Ik ga naast de scooter rijden en grijp de bijrijder vast aan zijn jas. Deze houdt echter de bestuurder stevig vast, zodat beiden een groot stuk naar achteren schuiven en de bestuurder met uitgestrekte armen de scooter moet besturen. Het gevolg is dat de scooter zijn voorwiel omhoog tilt en onbestuurbaar wordt. De scooter rijdt de struiken in en beiden worden gelanceerd.

Ik plaats razendsnel mijn motor op de standaard en grijp de bestuurder van de scooter vast. De bijrijder wil zijn vriend ontzetten, dus pakt mij vast. Opeens komt er een man aanrennen die de bijrijder vastpakt in een houdgreep, zodat ik de bestuurder kan overmeesteren. Ik heb hem vrij snel onder controle, maar als ik om mij heen kijk weet ik niet wat ik zie. Van alle kanten komt er publiek aangerend, wat in Rotterdam reden is om met spoed wagens erbij te vragen. Vertwijfeld vraag ik me af waar ik aan begonnen ben, maar de man die de bijrijder overmeestert blijkt een collega politieagent en zegt: “Rustig maar, niets aan de hand, allemaal goed volk!”.

De scooterrijders blijken twee broers te zijn, die behoorlijke lastposten zijn in het dorp. De mensen zijn blij dat er eindelijk iets aan gedaan wordt door de politie en willen dat uiteraard graag met eigen ogen zien.
De scooter blijkt geen kenteken te hebben en wordt meegenomen door ter plaatse gekomen collega’s van Zeeland.

Uiteindelijk met een half uur vertraging rijd ik naar het verenigingsgebouw, waar ze op mij zitten te wachten. Ik hoef niet eens uit te leggen wat er gebeurd is, want het hele dorp weet het al.
Het is een spectaculair begin van een hele mooie middag. De motor wordt met wat manoeuvreren midden in de zaal van het verenigingsgebouw geplaatst. Ze mogen, als het kan, plaatsnemen op de motor. Dankbaarder publiek kun je niet hebben, hun gezichten glimmen!

Na afloop word ik uitgezwaaid en met een tevreden gevoel verlaat ik het dorp.

Volgende blog 11/07

maandag 30 mei 2016

Uitgeslingerd

Soms vraag je je af waarom autobestuurders of inzittenden weigeren hun gordel om te doen, terwijl ze wel uit preventie allerlei middelen gebruiken om niet ziek te worden of zich dik insmeren tegen zonnebrand.





We krijgen een melding dat op de autosnelweg een auto tegen de vangrail tot stilstand is gekomen zonder bestuurder. De melder is er stellig van overtuigd dat de auto hem gepasseerd is op de snelweg. Tot zijn schrik ziet hij de auto een stuk verder door de rondte heen tollen en daarna weer verder rijden om vervolgens langzaam tegen de aan de linkerzijde gelegen vangrail tot stilstand te komen.

Omdat op dit stuk snelweg ook een vluchtstrook aan de linkerkant zit, stopt de melder achter de tot stilstand gekomen auto. Hij springt eruit en wil de bestuurder gaan helpen die mogelijk onwel geworden is. Als hij naast het portier staat kijkt hij in de auto. Die is leeg….
De melder belt 112 en vertelt stotterend zijn verhaal. Volgens de centralist van onze meldkamer herhaalt hij in korte tijd wel zeker vijf keer de zelfde zin: “Mijnheer, ik ben toch niet gek geworden, ik weet zeker dat er iemand in die auto zat! “

De centralist stelt de man op zijn gemak en verzoekt hem rustig te blijven staan. Met spoed rijden wij naar de plaats van het ongeval, want zo’n soort melding klinkt ons bekend in de oren. Wanneer we als eerste auto arriveren, trek ik de auto open. Inderdaad, niemand in de auto. Alleen een schoen is onder de pedalen blijven steken. En zoals we al vermoeden, de (rechter)zijruit ligt eruit.

De melder probeert nogmaals zijn verhaal te doen, maar ik heb geen tijd voor hem en vraag hem te wachten achter de vangrail. Mijn collega roept assistentie van meer politieauto’s en een ambulance. Van de vier rijstroken laten we er drie afkruisen, want we hebben maar één doel. Dat is zo snel mogelijk de snelweg vanuit het midden oversteken en het slachtoffer zoeken, de tijd dringt en assistentie duurt te lang.

Als het verkeer bijna stapvoets rijdt op één rijstrook steken mijn maat en ik de rijbaan over en rennen vanaf de plek waar de auto in het midden staat terug richting de plaats waar de melder de auto heeft zien tollen. Daar vinden we het lichaam van een man, met één schoen aan. Dezelfde schoen als die in de auto ligt. We zien direct dat we niets meer voor hem kunnen doen.
Uit onderzoek blijkt dat de man een hevige stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt om alsnog de afslag te nemen. Hierdoor tolde de auto en werd hij door de enorme centrifugale kracht eruit geslingerd. Het is het zoveelste gordeldrama waar ik bij sta. Mijn gedachten dwalen nog even af naar de laatste keer, toen was het een klein kind.

Kijk even naar deze video https://www.youtube.com/watch?v=fOl5gF-SLNs

volgende blog 20/06